09-09-2025

Langdurige verhuur recreatiewoning B.V. aan dga toch short-stayverhuur

In een recente uitspraak oordeelt Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat een belastingplichtige gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het short-stayverhuurbeleid van de staatssecretaris, zelfs als dat besluit mogelijk in strijd is met een richtlijnconforme uitleg van de wet. Dit oordeel leidde tot een verrassende uitkomst in de zaak.

Casus

De zaak draait om een B.V. die in 2020 een woning kocht voor € 2.010.000 en deze liet verbouwen en inrichten. De B.V. bracht de voorbelasting op de verbouwingskosten in aftrek. De woning werd voor een periode van één jaar verhuurd aan de directeur-grootaandeelhouder (dga) van de B.V. De huurovereenkomst bedroeg € 6.000 per maand inclusief btw. De B.V. regelde en betaalde naast meubels, gas, water, energie en tuinonderhoud ook de glazenwasser, het onderhoud van de boiler en van de alarminstallatie en alles wat verder nodig is. De facturen werden op naam van de B.V. ontvangen. Volgens een verklaring van de dga heeft hij in het eerste jaar in totaal 32 dagen in de woning verbleven.

Geschil

De inspecteur van de Belastingdienst legde een naheffingsaanslag op en wees een verzoek om teruggave van btw af, omdat er volgens de inspecteur geen sprake was van short-stayverhuur. De huurovereenkomst was namelijk gesloten voor een periode langer dan zes maanden. De ‘short-stayuitzondering’ op de btw-vrijstelling voor de verhuur van onroerende zaken (en het verlaagde btw-tarief van 9%) is van toepassing op verhuur binnen de kaders van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar slechts voor een korte periode verblijven. Als gevolg van de uitzondering is de btw-vrijstelling voor verhuur van onroerende zaken niet van toepassing. Het verlaagde tarief van 9% is van toepassing.

Hof

Hoewel Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van oordeel is dat de verhuur niet onder de 'short-stayuitzondering’ van de Wet OB valt omdat de B.V. feitelijk niet concurreert met hotels en vakantiebedrijven, kan de B.V. wel een beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Het hof oordeelde dat de B.V. gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de uitleg in het – inmiddels vervallen – Vastgoedbesluit 2013. Volgens dit besluit is sprake van short stayverhuur als de gasten feitelijk maximaal zes maanden in een gemeubileerde  accommodatie verblijven en hun maatschappelijk leven niet verplaatsen. De directeur heeft aannemelijk gemaakt dat hij en zijn gezin de gemeubileerde woning als vakantiewoning gebruikten en hier slechts kort verbleven, met verblijven variërend van enkele dagen tot maximaal twee weken. Omdat de nationale wetgeving over dit onderwerp niet duidelijk en voorspelbaar genoeg is, mocht de B.V. uitgaan van de toelichting in het Vastgoedbesluit 2013. De B.V. mocht daarom de btw op de verbouwingskosten volledig in aftrek brengen en was 9% btw verschuldigd uit de maandelijkse huurprijs van € 6.000.

Praktijk

In december 2023 is een nieuw Vastgoedbesluit gepubliceerd. De tekst van het vernieuwde besluit bevat geen specifieke wijzigingen voor de 'short-stayuitzondering’. De uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden is voor de praktijk daarom ook voor de uitleg van het nieuwe vastgoedbesluit van belang. Niettemin wordt het belang van de hofuitspraak in 2026 wel kleiner, omdat het btw-tarief op short-stayverhuur vanaf 1 januari 2026 wordt verhoogd van 9% naar 21%.

Heeft u vragen over de btw-gevolgen van short-stayverhuur? Neem dan gerust contact op met onze btw-specialisten op het telefoonnummer 078 – 622 54 52 of het e-mailadres info@btwinstituut.nl.

Dit artikel delen:

Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies. Door gebruik te maken van deze website, geef je aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies. Lees meer

Sluiten