16 juni 2015Zorggroep ketenzorg verricht administratieve diensten die belast zijn met 21% btw

Een stichting (hierna: de zorggroep) is met een zorgverzekeraar een overeenkomst ketenzorg DBS Diabetes Mellitus Type 2 aangegaan. De inspecteur meent dat de zorggroep ter zake van de vergoeding voor de overheadkosten 21% btw verschuldigd is. De zorggroep is echter van mening dat zij geen btw-ondernemer is, dan we dat haar prestaties kwalificeren als btw-vrijgestelde medische diensten. Hof Amsterdam heeft recent geoordeeld dat het aandeel van de zorggroep in de diensten aan de patiënt niet kwalificeert als btw-vrijgestelde medische zorg. 

In eerste aanleg oordeelde Rechtbank Noord-Holland dat uit het contract met de zorgverzekeraar blijkt dat de zorggroep administratieve werkzaamheden verricht die anders door de zorgverzekeraar dan wel de aangesloten zorgverleners zouden worden verricht. De vergoeding voor deze werkzaamheden zijn de overheadkosten, d.w.z. het bedrag dat resteert nadat de zorggroep de vergoeding voor de verleende ketenzorg heeft doorbetaald aan de zorgverleners (een bedrag van € 38,12 per patiënt). De rechtbank was van oordeel dat de zorggroep geen onderdeel uitmaakt van een collectief dat medische diensten aan de patiënt verricht.  Dit betekende volgens de rechtbank dat de btw-vrijstelling voor medische diensten toepassing mist en de diensten belast zijn met 21% btw. De zorggroep heeft hoger beroep aangetekend tegen deze uitspraak. 

In hoger beroep overweegt Hof Amsterdam dat niet in geschil is dat de vorm van zorg aan de patiënten zelf (door het zorgverleningsteam dat onder andere bestaat uit de huisarts) op zichzelf beschouwd kan worden als vrijgestelde medische zorg. In geschil is of het aandeel van de zorggroep eveneens kwalificeert als vrijgestelde medische zorg. Het hof deelt het standpunt van de zorggroep dat haar deelname aan de ketenzorg meer omvat dan enkel een contractuele relatie met de zorgverzekeraar, omdat haar deelname een medische zorgrelatie creëert tussen haar en de patiënten, niet. Volgens het hof heeft de zorggroep niet aannemelijk gemaakt dat zij een directe, zelfstandige zorgrelatie heeft met de patiënten. De stukken van het geding wijzen enkel op een relatie tussen de zorggroep en de zorgverzekeraar, aldus het hof. Evenmin is de samenwerking tussen de zorggroep als hoofdcontractant en de zorgverleners van dien aard dat volgens het hof kan worden gesproken van een samenwerkingsverband dat als één entiteit naar buiten toe optreedt. De zorgverleners blijven namelijk zelf verantwoordelijk voor het (op juiste wijze) verrichten van hun prestatie. De vergoeding van € 38,12 kan om die redenen niet worden aangemerkt als vergoeding voor vrijgestelde medische zorg, zo oordeelt het hof. 

Het beroep van de zorggroep op het neutraliteitsbeginsel slaagt evenmin, omdat de vergelijking die de zorggroep maakt met zorg die verleend wordt door een ziekenhuis of huisartsenpost volgens het hof niet vergelijkbaar is. In deze gevallen is namelijk de patiënt de afnemer van de zorgdiensten, terwijl in het onderhavige geval de verzekeraar de afnemer is van de diensten door de zorggroep.

Het is opmerkelijk dat het hof in deze zaak oordeelt dat de zorgverzekeraar de afnemer is van de werkzaamheden door de zorggroep. Dat de zorgverzekeraar de diensten door de zorggroep vergoedt, wil onzes inziens namelijk niet zeggen dat hij ook de afnemer is van de prestatie. Zo er al een afnemer is van de diensten door de zorggroep dan zijn dit naar onze mening de aangesloten zorgverleners. Het is jammer dat in deze procedure niet aan bod is geweest of de zorggroep wel een economische activiteit verricht. Gezien de beslissing van de Hoge Raad in bijv. het Jeugdgevangenis-arrest, had het op zijn minst aanbeveling verdiend om te beproeven of naar het oordeel van het hof wel sprake is van een vergoeding voor een prestatie en, zo ja, of die vergoeding (vast bedrag per patiënt) in rechtstreeks verband staat met de door de zorggroep aan de zorgverleners verrichte diensten. Daarnaast missen wij in de discussie over de toepassing van de btw-vrijstelling een beroep op het Verigen-arrest van het HvJ waarin ook de vermeerdering van kraakbeencellen door een niet-medicus onder de reikwijdte van de btw-vrijstelling werd geschaard, omdat deze handeling een niet weg te denken onderdeel vormde van de medische behandeling. In casu kan betoogd worden dat de tussenkomst van de zorggroep een niet weg te denken onderdeel vormt van de aan de patiënt verleende ketenzorg. Naar onze mening is het een gemiste kans dat deze punten niet in deze procedure aan de orde zijn gesteld. Voor meer informatie of advies naar aanleiding van deze uitspraak kunt u contact opnemen met Matthijs van der Wulp op het telefoonnummer 078 – 622 54 52 of het e-mailadres mvanderwulp@vandrielfruijtier.nl.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op