20 april 2016Zorggroep btw verschuldigd uit overheaddeel DBC-tarief ketenzorg

 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant is van oordeel dat een zorggroep over het ontvangen overheaddeel van het DBC-tarief 19/21% btw verschuldigd is.

In deze zaak gaat het om een fiscale eenheid, bestaande uit C en D B.V. (hierna: de zorggroep). C houdt alle aandelen in de zorggroep. De zorggroep valt onder de Kwaliteitswet Zorginstellingen. Zij coördineert de multidisciplinaire, chronische zorg op het gebied van Diabetes Mellitus type 2 (hierna: DM type 2), COPD en hart- en vaatziekten voor patiënten van aangesloten huisartsen in de regio midden-Brabant. Conform Beleidsregel BR/CU-7012 van de NZa heeft de zorggroep als hoofdcontractant, ten behoeve van de integrale bekostiging van deze zorg, contracten gesloten met zorgverzekeraars. Op basis van die contracten declareert zij de kosten van de zorg door middel van een DBC-tarief. Het DBC-tarief bestaat uit twee componenten: zorgkosten en overheadkosten. Bij de Zorggroep was in 2010 één personeelslid in dienst (de directeur), in 2011 waren er naast de directeur zes personeelsleden. Geen van hen is als arts of anderszins als medisch dienstverlener opgenomen in het BIG-register. De Zorggroep sluit voorts contracten met de bij haar aangesloten huisartsen en andere zorgaanbieders. In de contracten met de huisartsen wordt onder meer vastgelegd welk bedrag ten laste van de op basis van DBC door belanghebbende van de zorgverzekeraar te ontvangen zorgkosten wordt doorbetaald aan de huisarts.

Bij de zorggroep zijn ongeveer 150 huisartsen aangesloten. In de verschillende zorgprogramma’s nemen ruim 30.000 patiënten deel. Bij het zorgprogramma DM type 2 zijn de volgende ketenpartners betrokken: een huisarts, een diabetesverpleegkundige, een diëtist en zo nodig een podotherapeut, een oogarts en een internist. Op grond van de beleidsregel van de Nza gelden voor de contracten tussen de zorggroep en zorgverzekeraars vrije tarieven. In deze beleidsregel is ook bepaald dat de zorg moet bestaan uit een ziektespecifieke en een generieke component waarbij de organisatiestructuur en de kwaliteitscyclus waarbinnen de zorgonderdelen geleverd worden, tenminste dienen te voldoen aan criteria zoals gesteld in het vigerende zorgstandaard model van het Coördinatieplatform Zorgstandaarden. Volgens de gedingstukken vallen onder overheadkosten, die de zorggroep vergoed krijgt van de zorgverzekeraars, kosten die worden gemaakt ten behoeve van kwaliteitsverbetering, nascholing van betrokken zorgverleners, patiënten-onderzoeken, organisatie van zorg en het verzamelen en bundelen van patiëntgegevens in een keteninformatiesysteem. Met ingang van 2016 is voor instellingen als de zorggroep een btw-vrijstelling opgenomen. Er zijn ongeveer 115 zorggroepen in Nederland die zorgprogramma’s uitvoeren die vergelijkbaar zijn met die van de zorggroep. De inspecteur heeft ruim € 350.000 btw excl. heffingsrente nageheven over de bedragen die de zorggroep van de verzekeraars over de jaren 2010 tot en met juni 2013 heeft ontvangen voor overhead. Voor Rechtbank Zeeland-West Brabant is in geschil of dit terecht is.

De rechtbank oordeelt dat vaststaat dat de fiscale eenheid op grond van de overeenkomsten met de zorgverzekeraar prestaties verricht waarvoor zij een vergoeding ontvangt. Zij treedt dan op in het economisch verkeer en is btw-ondernemer. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat sprake is van een rechtsbetrekking tussen de fiscale eenheid en de patiënt op grond waarvan gezondheidskundige verzorging wordt verleend. Evenmin is de samenwerking tussen de zorggroep en de zorgverleners van dien aard dat het samenwerkingsverband als één entiteit naar buiten treedt. De aard van de persoonlijke dienstverlening door de huisarts staat hieraan in de weg. De rechtbank is daarom van oordeel dat de btw-vrijstelling voor medische diensten toepassing mist. Het beroep op het neutraliteitsbeginsel slaagt niet, omdat – anders dan de door het ziekenhuis of huisartsenpost verrichte prestaties – niet de patiënt, maar de verzekeraar de afnemer is van de prestaties van de fiscale eenheid. Naar het oordeel dwingt ook art. 132, lid 1, onderdeel g btw-richtlijn niet tot een btw-vrijstelling voor de activiteiten van de zorggroep. Ten slotte oordeelt de rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt dat in Nederland in meer dan de helft van de vergelijkbare gevallen vanwege een nadrukkelijke stellingname van de inspecteur geen btw is geheven van de zorggroepen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel, meer specifiek de meerderheidsregel, faalt daarom. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

 Het is niet voor het eerst dat de rechter zich moet uitlaten over de verschuldigdheid van bwt ter zake van de vergoeding die de zorggroepen ontvangen voor coördinerende en ondersteunende werkzaamheden voor eerstelijnsketenzorg. Net als Hof Amsterdam oordeelt de rechtbank dat btw verschuldigd is ter zake van deze bedragen. Uit de feiten leiden wij af dat de inspecteur btw heeft nageheven over het overheaddeel van het DBC-tarief. Indien de zorggroep met de zorgverzekeraar een bedrag inclusief btw heeft afgesproken achten wij dit niet juist en had de inspecteur btw moeten naheffen uit het ontvangen overheaddeel van het DBC-tarief. Afgezien daarvan, stelt de rechtbank vast dat de zorggroep diensten verleent aan de zorgverzekeraar. Een motivering van dit oordeel ontbreekt echter. Bezien wij de prestaties waarvoor het overheaddeel van het DBC-tarief wordt ontvangen, zoals de nascholing van zorgverleners, organisatie van de zorg, kwaliteitsverbetering en patiënten-onderzoeken, dan betwijfelen wij of deze prestaties de zorgverzekeraar een voordeel opleveren. Naar onze mening leveren deze prestaties hooguit een voordeel op voor de betrokken zorggroep c.q. zorgverleners waardoor btw-heffing wegens een vermeend voordeel aan de zijde van de verzekeraar niet in de rede ligt. Mogelijk ligt dat voor het verzamelen en bundelen van patiëntengegevens anders, maar uit de uitspraak valt dit niet af te leiden. Het zou daarom wenselijk zijn als in een eventuele hoger beroepsprocedure of andere hiermee vergelijkbare procedures eerst nadrukkelijk en gemotiveerd ter discussie gesteld en door de rechter beoordeeld wordt of het overheaddeel van het DBC-tarief, het koptarief dan wel de GEZ-module een vergoeding is voor prestaties die de zorgverzekeraar of een derde een bepaald voordeel opleveren en, zo ja, of dit voor alle prestaties geldt of slechts voor een deel ervan.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op