31 oktober 2017Zekerheidsstelling bij btw-registratie wegens risico op nieuwe belastingschulden moet proportioneel zijn

Het HvJ oordeelt dat Slowakije niet in strijd met het EU-recht handelt door een zekerheidsstelling van €500.000 te vragen in verband met een btw-registratie. De verlangde zekerheid mag echter niet verder gaan dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van de in artikel 273 btw-richtlijn genoemde doelstellingen.

Artikel 273 btw-richtlijn

Artikel 273 btw-richtlijn preciseert dat de lidstaten, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de lidstaten, andere verplichtingen kunnen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de btw en ter voorkoming van fraude.

Feiten

Het Slowaakse BB construct sro dient een aanvraag voor een btw-registratie in. De Slowaakse Belastingdienst eist daarvoor een zekerheidsstelling van €500.000, in verband met de betrekkingen die bestuurder of aandeelhouder van BB construct heeft met een andere vennootschap, die een btw-schuld heeft.

Procedure

BB construct heeft bij de regionale rechter om nietigverklaring of verlaging van die zekerheid gevraagd. De regionale rechter heeft het besluit waarbij het stellen van die zekerheid werd opgelegd nietig verklaard. De Slowaakse Belastingdienst heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de hoogste rechterlijke instantie van Slowakije (hierna: verwijzende rechter). De verwijzende rechter heeft prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ.

De verwijzende rechter vraagt zich allereerst af of art. 273 btw-richtlijn zich ertegen verzet dat de belastingdienst een belastingplichtige waarvan de bestuurder voorheen bestuurder of aandeelhouder van een andere rechtspersoon was die niet aan zijn belastingverplichtingen had voldaan, bij de btw-registratie verplicht om een zekerheid te stellen waarvan het bedrag tot €500.000 kan oplopen.

Daarnaast vraag de verwijzende rechter zich af of hier sprake is van schending van het in art. 50 van het Handvest Grondrechten neergelegde ne bis in idem-beginsel. Volgens het in art. 50 van het Handvest neergelegde ne-bis-in-idembeginsel mag niemand opnieuw worden berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Europese Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet. De toepassing van dit beginsel veronderstelt dat de maatregelen die reeds tegen de verdachte zijn getroffen bij een definitief geworden beslissing, strafrechtelijke maatregelen zijn.

HvJ

Het HvJ oordeelt dat art. 273 btw-richtlijn zich er niet tegen verzet dat de Belastingdienst bij de registratie voor de btw van een belastingplichtige, waarvan de bestuurder voorheen bestuurder of aandeelhouder was van een andere rechtspersoon die niet aan zijn belastingverplichtingen had voldaan, verlangt dat die belastingplichtige een zekerheid stelt waarvan het bedrag kan oplopen tot €500.000. Het HvJ merkt daarbij wel op dat de verlangde zekerheid niet verder mag gaan dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van de in art. 273 btw-richtlijn genoemde doelstellingen. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of dat het geval is.

Daarnaast oordeelt het HvJ dat het ne-bis-in-idembeginsel hier niet van toepassing is. Het vereiste om een zekerheid te stellen, zoals dat in casu aan de orde is, heeft namelijk geen strafrechtelijk doel, aangezien vaststaat dat de rechtspersoon die een aanvraag om registratie indient, geen overtreding heeft begaan en het doel van de betrokken maatregel bestaat in het verzekeren van de juiste btw-inning voor de toekomst.

Ook oordeelt het HvJ dat het gelijkheidsbeginsel zich er niet tegen verzet dat de Belastingdienst bij de registratie voor de btw van een nieuwe belastingplichtige verlangt dat hij wegens zijn betrekkingen met een andere rechtspersoon die belastingschulden heeft, een dergelijke zekerheid stelt. Die belastingplichtigen bevinden zich volgens het HvJ in een andere situatie dan belastingplichtigen met andere dan belastingschulden of belastingplichtigen die betrekkingen hebben met rechtspersonen met andere dan belastingschulden, zodat zij anders behandeld mogen worden.

 Het HvJ oordeelt dat een zekerheidsstelling van €500.000 voor btw-registratie niet in strijd is met het EU-recht. Wij zijn het deels eens met het HvJ. Lidstaten mogen maatregelen nemen om de juiste inning van de btw te waarborgen en btw-fraude te voorkomen. Deze maatregelen moeten echter wel proportioneel zijn. De Slowaakse zekerheidsstelling die in de wet is opgenomen achten wij in overeenstemming met de doelstelling van artikel 273 btw-richtlijn. Wij vinden de opgelegde zekerheidsstelling echter disproportioneel. De financiële draagkracht van de betrokken vennootschap wordt dusdanig aangetast. Een lagere zekerheidsstelling zou in onze ogen meer terecht zijn geweest. Het arrest van het HvJ heeft overigens geen gevolgen voor de btw-registratie in Nederland. De Wet OB kent geen regels met betrekking tot zekerheidsstelling bij de btw-registratie door belastingplichtigen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op