10 mei 2017Wijzen leden op verzekeringen geen btw-vrijgestelde bemiddelingsdienst

De consumentenorganisatie Vereniging Eigen Huis, die tegen vergoeding, wervings- en marketingactiviteiten richting haar leden verricht voor een verzekeringsmaatschappij, heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de werkzaamheden van een verzekeringstussenpersoon verricht en kan naar het oordeel van Rechtbank Gelderland daarom geen beroep doen op de btw-vrijstelling voor verzekeringsactiviteiten.

De Vereniging Eigen Huis (hierna: VEH) is een consumentenorganisatie voor woningbezitters, die als doel heeft om de belangen van haar leden op het gebied van hun (toekomstige) woning te behartigen. In juli 2012 hebben VEH en een verzekeringsmaatschappij een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst ontvangt VEH een jaarlijkse vergoeding van € 2,5 mio voor marketinginspanningen die onder andere gericht zijn op het optimaliseren van het aantal verkopen door de verzekeringsmaatschappij, het delen van kennis en trends in de specifieke branche waarin zij werkzaam is, het gebruik van het merk van de consumentenorganisatie en het in stand houden van de kennis en het menselijk kapitaal binnen haar organisatie voor zover dat gericht is op verzekeringen. Daarnaast ontvangt VEH € 100 als een van haar leden een schadeverzekering bij de verzekeringsmaatschappij afsluit, € 40 als een van de leden een zorgverzekering afsluit en € 5 als een reeds verzekerd lid zijn verzekering voortzet zonder de collectiviteit van VEH. Naar de mening van VEH vallen haar activiteiten onder de btw-vrijstelling voor verzekeringsactiviteiten, omdat sprake is van meer dan alleen marketingactiviteiten. De inspecteur is een tegengestelde mening toegedaan.

Na afwijzing van haar bezwaar tegen de voldoening van btw op aangifte en een teruggaafbeschikking heeft VEH beroep ingesteld bij Rechtbank Gelderland. De rechtbank overweegt in haar oordeel dat de kernwerkzaamheid van VEH het behartigen van de belangen van haar leden is en dat zij dus in elk geval niet primair een verzekeringstussenpersoon is. De vraag is of VEH niettemin voor de onderhavige werkzaamheden aan te merken is als een verzekeringstussenpersoon, omdat volgens het Aspiro-arrest van het HvJ niet bepalend is of de dienstverrichter de hoedanigheid van assurantiemakelaar of verzekeringstussenpersoon bezit, maar wat de inhoud van de activiteiten is. Hiervoor moet VEH ten eerste aan de voorwaarde voldoen dat zij in betrekking moet staan met zowel de verzekeraar als de verzekerde. Hoewel de verbinding die VEH met haar leden heeft voortvloeit uit het lidmaatschap en dus niet uit de verzekeringsactiviteiten, is naar het oordeel van de rechtbank toch aan deze voorwaarde voldaan. De tweede voorwaarde is dat VEH met de door haar verrichte activiteiten essentiële aspecten van de functie van een verzekeringstussenpersoon dekt. Daarbij gaat het volgens jurisprudentie van het HvJ over werkzaamheden die bijdragen aan de totstandkoming van verzekeringsovereenkomsten. Hiervan is in casu geen sprake, aldus de rechtbank. VEH brengt haar leden niet actief in contact met de verzekeringsmaatschappij en verstrekt geen zogeheten ‘warm leads’, maar verricht slechts activiteiten die het karakter van werving en marketing hebben. Deze activiteiten behoren weliswaar ook tot de activiteiten van een tussenpersoon, maar dekken niet de essentiële aspecten van de verzekeringstussenpersoon. VEH heeft daarnaast gesteld dat haar medewerkers tot op zekere hoogte inhoudelijke vragen over verzekeringen (kunnen) beantwoorden en bemiddelen bij klachten, maar heeft dit niet onderbouwd. VEH heeft, kortom, niet aannemelijk gemaakt dat de vrijstelling voor verzekeringsactiviteiten van toepassing is op haar diensten.

 Als uitgangspunt geldt dat degene die een beroep doet op een btw-vrijstelling moet bewijzen dat deze btw-vrijstelling van toepassing is. Voor onderhavig beroep van VEH op de btw-vrijstelling voor diensten inzake verzekeringen betekent dit dat VEH aannemelijk moet maken dat zij meer doet dan het wijzen van haar leden op de verzekeringen van de betreffende verzekeraar. De enkele stelling dat dit het geval is, is niet voldoende. Wil VEH in hoger beroep een kans maken dan zal zij (meer) feiten moeten aandragen waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk bijdraagt aan de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomsten tussen de betreffende verzekeraar en haar leden. Zie