12 juli 2017Wetsvoorstel wijziging btw-behandeling vouchers

Op 7 juli jl. heeft demissionair Staatssecretaris van Financiën Wiebes het wetsvoorstel over de btw-behandeling van vouchers aangeboden aan de Tweede Kamer. De voorgestelde wijzigingen moeten een einde maken aan de huidige onduidelijkheden bij leveringen en diensten waarbij vouchers, zoals waarde- en cadeaubonnen en zegels, betrokken zijn. Voorgesteld wordt de wetgeving per 1 januari 2019 aan te passen aan de Europese voucherrichtlijn uit juni 2016.

De nieuwe regels zien op de definitie van vouchers en de onderverdeling in verschillende soorten, het al dan niet heffen van btw bij transacties met vouchers en de maatstaf van heffing die van toepassing is op belaste leveringen of diensten.

Het voorstel strekt tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Daarnaast zullen er aanpassingen plaatsvinden in het besluit over zegels en waardebonnen en in het besluit over cadeaubonnen. Het besluit over telefoonkaarten zal inhoudelijk niet worden gewijzigd, omdat bij de opstelling hiervan reeds rekening is gehouden met de voucherrichtlijn.

In het voorstel wordt onderscheid gemaakt tussen een voucher voor enkelvoudig gebruik (ook wel “single purpose voucher” genoemd, afgekort als SPV) en een voucher voor meervoudig gebruik (ook wel “multi purpose voucher” genoemd, MPV). Bij een SPV staan de aard, de plaats en het btw-tarief van de prestatie op het moment van uitgifte van de voucher vast. De overdracht van een SPV wordt beschouwd als het verrichten van de onderliggende levering of dienst. Dit betekent dat de levering of dienst reeds plaatsvindt bij de koop van de SPV en niet pas bij inwisseling van de SPV. Een cadeaubon zal daardoor bijvoorbeeld niet langer kwalificeren als een van btw vrijgesteld waardepapier. Anders dan nu het geval is zullen handelingen inzake vouchers, zoals het distribueren ervan, belast zijn met btw.

De verkoop van vouchers verloopt doorgaans via een keten van distributeurs. Om die reden zijn in het voorstel nadere regels opgenomen voor de distributie en maatstaf van heffing. Staatssecretaris Wiebes heeft in het voorstel aangegeven het bedrijfsleven te gaan betrekken bij de totstandkoming van nieuwe en de aanpassing van bestaande uitvoeringsregelingen, gezien de complexiteit ervan voor bepaalde sectoren van het bedrijfsleven.

Op 27 juni 2016 heeft de Raad van de EU een richtlijn aangenomen tot wijziging van de btw-richtlijn inzake de btw-behandeling van vouchers. Deze richtlijn, die de basis vormt voor onderhavig voorstel, treedt – net als het wetsvoorstel – op 1 januari 2019 in werking en is uitsluitend van toepassing op vouchers die na 31 december 2018 zijn uitgegeven. Overigens lijkt de Staatssecretaris van Financiën in het besluit over telefoonkaarten en -abonnementen wat op de muziek vooruit te zijn gelopen. In dit besluit heeft hij de verkoop van multi purpose telefoonkaarten en abonnementen voor mobiel telefoon en internetverkeer op eigen naam en voor rekening van de distributeurs aangemerkt als een btw-belaste distributiedienst aan de vorige schakel in de keten (het telecombedrijf of de vorige distributeur). De vergoeding voor deze dienst bestaat uit de marge/provisie van de distributeur. Het is naar onze mening maar zeer de vraag of voor dit beleid vóór 1 januari 2019 een wettelijke grondslag bestaat. Het is immers niet voor niets dat een wijziging van de btw-richtlijn – het nieuwe art. 30ter lid 2 btw-richtlijn – én de Wet OB – het nieuwe art. 28zi lid 2 Wet OB – nodig is geacht om btw-heffing over deze ‘distributiediensten’ te bewerkstelligen. Ontbreekt tot 2019 een dergelijke grondslag dan is de verkoop van een multi purpose telefoonkaart of -abonnement op eigen naam en voor rekening van een distributeur tot 2019 geen belastbare handeling waardoor de distributeur ter zake van deze handeling in het geheel geen btw verschuldigd is. Neemt een distributeur een dergelijk standpunt in dan moet hij wel rekening houden met de gevolgen van dit standpunt voor zijn recht op btw-aftrek. Als de verkoop van multi purpose telefoonkaart of -abonnement geen belastbare handeling is dan heeft hij geen recht op aftrek van de btw op de hieraan toerekenbare kosten. Het voorgaande is naar onze mening ook van belang voor de vraag of een inspecteur tot 2019 ter zake van het niet (tijdig) voldoen van btw ter zake van de ‘distributiediensten’ een boete kan opleggen. Op grond van paragraaf 4.1 van het BBBB mag de inspecteur immers geen vergrijp- of verzuimboete opleggen indien sprake is van een pleitbaar standpunt.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op