18 mei 2016Werving restaurants en campagne voor donatie aan voedselbanken btw-belaste activiteit

Een stichting die via restaurants fondsen werft voor voedselbanken verricht naar het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden primair btw-belaste wervings- en campagneactiviteiten, waarvan de fondswervende aspecten het gevolg zijn.

Stichting A is in 2012 opgericht door de stichting B, waarbij de lokale en regionale voedselbanken in Nederland zijn aangesloten, en stichting C. Het doel van A is het werven van fondsen ten behoeve van B en de bij haar aangesloten voedselbanken. In december 2012 heeft C een businessplan uitgebracht, waarin is vermeld dat het concept ‘Eén voor voedsel’ (1vV) is ontwikkeld ter dekking van de operationele kosten van de voedselbanken. Het concept van 1vV is dat gasten van restaurants een donatie van € 1 per couvert kunnen doen ten behoeve van de voedselbanken, waarbij de doelstelling is om 100% van die donatie ten goede te laten komen aan de voedselbanken. A heeft vervolgens restaurants benaderd om dit concept uit te voeren. Zij verstrekt aan de deelnemende restaurants een informatiepakket dat bestaat uit diverse on- en offline communicatiematerialen, zoals stickers voor op de voordeur van het restaurant, visitekaartjes voor op de tafels, banners voor de website en een instructiepakket voor het restaurantpersoneel. Na een eerste pilot in 2013, waarbij A geen fee in rekening bracht aan de deelnemende restaurants, is in 2014 een nieuwe pilot gestart, waaraan 33 restaurants meedoen. De restaurants moeten een fee van € 8,33 per maand betalen waarop zij 80% korting krijgen, zodat zij per saldo een fee van € 1,66 per maand betalen. A brengt deze fee in rekening met 21% btw. A heeft een website waarop de deelnemende restaurants zijn vermeld en informatie wordt verstrekt over de wijze waarop en onder welke voorwaarden restaurants kunnen deelnemen. Daarnaast voert A een landelijke publiciteitscampagne. A heeft in 2013 via de deelnemende restaurants € 334 aan donaties ontvangen. Daarnaast heeft zij € 60.000 aan donaties ontvangen, waaronder € 25.000 van B. Met dit geld heeft zij de projectkosten en algemene kosten gefinancierd. 

In maart 2013 heeft A de inspecteur van de Belastingdienst gevraagd schriftelijk te bevestigen dat zij aan te merken is als btw-ondernemer. In mei 2013 heeft de inspecteur echter laten weten dat A belastingplichtig is voor de btw. Daarop heeft A btw-aangiften ingediend over het tweede en derde kwartaal van 2013, die tot teruggaven leidden. In september en november 2013 is de inspecteur, naar aanleiding van de brief van A uit maart 2013, tot de conclusie gekomen dat A niet kwalificeert als btw-ondernemer. Om die reden heeft de inspecteur in december 2013 naheffingsaanslagen opgelegd ter grootte van de teruggaven. A is hiertegen in verweer gekomen. In hoger beroep is tussen partijen in geschil of A één economische activiteit verricht of twee activiteiten verricht.

In eerste aanleg heeft Rechtbank Gelderland in deze zaak geoordeeld dat sprake is van meerdere activiteiten en dat de btw die drukt op de kosten voor de fondswerving niet voor aftrek in aanmerking komt, omdat deze gemaakt zijn voor een niet-economische prestatie, maar dat A wel recht heeft op aftrek van de btw op de kosten die toerekenbaar zijn aan de btw-belaste verkoopbevordering en een deel van de btw op de algemene kosten. In hoger beroep komt Hof Arnhem-Leeuwarden tot een ander oordeel, namelijk dat de feitelijke en onmiddellijke activiteiten van A bestaan uit het werven van restaurants en het opstarten en uitvoeren van de campagne en dat A dus primair btw-belaste, economische activiteiten verrichte en dat de fondswervende aspecten ten behoeve van B het gevolg daarvan zijn. A heeft dan ook het recht om de aan haar in rekening gebrachte btw volledig in aftrek te brengen, aldus het hof. Dat het uiteindelijke doel van A gelegen is in het – via restaurants – inzamelen van donaties voor B, doet hieraan naar het oordeel van het hof niet af. Ook het doorstorten van het geld, waardoor A als kassier optreedt, doet niet af aan het oordeel van het hof. Dit is namelijk geen afzonderlijke, vrijgestelde prestatie waaraan een vergoeding toe te kennen is. Tot slot is het niet van belang of het door A opgezette bedrijfsmodel kans van slagen heeft. Dit is volgens het hof iets wat alleen de ondernemer – en dus niet de Belastingdienst – aangaat. 

 De uitspraak van het hof, die kort gezegd oordeelt dat de fondswervende activiteiten van een stichting het gevolg zijn van haar btw-belaste activiteiten, laat zien dat snel sprake is van btw-ondernemerschap. Niet het doel van de activiteiten, maar de aard van de activiteiten bepalen of btw verschuldigd is. Ook bij geringe opbrengsten, bijv. in de opstartfase van een onderneming, kan sprake zijn van een economische activiteit. Echter, uit het recente Gemeente Borsele-arrest volgt dat structurele lage opbrengsten die niet in verhouding staan tot de kosten van een activiteit (in die zaak waren de opbrengsten 3% van de kosten) ertoe kan leiden dat een handeling tegen vergoeding geen economische activiteit is. Zie 10.1 voor meer informatie over de aftrek van voorbelasting.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op