22 juni 2016Wel btw-aftrek, maar geen verlaagd btw-tarief voor exploitatie renstal

Het met paarden deelnemen aan een wedren om hiermee een prijs te behalen is volgens A-G Wahl een economische activiteit, waarbij het prijzengeld kwalificeert als een vergoeding. De exploitatie van een renstal voor paarden is naar de mening van de A-G niet belast tegen het verlaagde tarief.

De Tsjechische btw-ondernemer Pavlína Baštová is actief op het gebied van het fokken en trainen van renpaarden. Haar stallen zijn deels bezet door haar eigen paarden en deels door paarden van anderen, die zij voorbereidt op wedstrijden. Naast renpaarden houdt Baštová fokmerries, veulens en twee paarden die worden ingezet voor agrotoerisme en het trainen van jonge paarden. Een deel van Baštová’s inkomsten worden gevormd door de prijzen die haar eigen paarden winnen en een percentage van prijzengeld dat bestemd is voor de trainer bij winst door paarden van anderen. Daarnaast ontvangt zij vergoedingen voor de voorbereiding van paarden van anderen op een wedren. Baštová heeft in haar btw-aangifte 10% btw over de dienst ‘exploitatie van een renstal’ aangegeven en de voorbelasting die zij in rekening gebracht heeft gekregen, volledig in aftrek gebracht. De Tsjechische fiscus is hiermee niet akkoord gegaan. De belastingdienst in Pilsen heeft de aftrek van de voorbelasting ter zake van de deelname van Baštová’s eigen paard aan wedrennen geweigerd, aangezien dit geen belastbare handeling zou zijn. Daarnaast is het volgens de belastingdienst niet juist dat Baštová het verlaagde btw-tarief van 10% heeft toegepast op de dienst ‘exploitatie van een renstal’. De hoogste bestuursrechter, aan wie de zaak uiteindelijk is voorgelegd, heeft een zevental prejudiciële vragen voorgelegd aan het HvJ EU, die zien op de belastbaarheid van de deelname van Baštová’s eigen paard aan wedrennen en op de btw-technische duiding van de exploitatie van de renstal.

A-G Wahl heeft recent conclusie genomen in deze zaak. De A-G adviseert het HvJ te oordelen dat het ter beschikking stellen van paarden aan organisatoren van wedrennen met de daadwerkelijke bedoeling om daaruit economisch voordeel te behalen voor de activiteiten als trainer en fokker, alsook om een bijkomend inkomen uit het betrokken prijzengeld te verwerven, een economische activiteit is. De A-G acht namelijk aannemelijk dat de deelname van de paarden van Baštová aan de wedrennen op zich de reputatie en het imago van Baštová, als exploitant van een renstal, ten goede komt. Baštová heeft derhalve recht op aftrek van de btw op de goederen en diensten die zijn verworven met het oog op de voorbereiding van haar eigen paarden aan de wedrennen, aldus de A-G. De vraag die hieruit voortvloeit, namelijk of het prijzengeld dat met de wedren gewonnen wordt onderworpen is aan de btw-heffing, wordt door de A-G positief beantwoord. Naar de mening van de A-G bestaat er een rechtstreeks verband tussen de bijzonder prestatie van een paard in een wedren (dienst) en de betaling van de prijs (tegenprestatie). Dat niet elk paard dat meedoet een prijs wint, doet hieraan niet af. Het gaat erom dat de prijs, de hoogte en de voorwaarden ervan op voorhand zijn bepaald, aldus de A-G.

Met betrekking tot de exploitatie van de renstal adviseert de A-G het HvJ te oordelen dat deze dienstverlening, onder voorbehoud van verificatie door de nationale rechter, niet volledig kan delen in het verlaagde btw-tarief. Volgens de A-G zijn niet alle activiteiten, zoals het permanent stallen, voeren en verzorgen van het paard, te scharen onder het begrip ‘gebruik van een sportaccommodatie’. De nationale rechter zal moeten beoordelen of de diensten één geheel vormen voor het bepalen van het btw-tarief of dat sprake is van een hoofprestatie met bijkomende diensten. In het laatste geval zal de rechter de waarde, duur, kosten en het belang van de diensten die bestaan in het gebruik van de sportaccommodatie moeten afwegen tegen de waarde, duur, kosten en het belang van de andere diensten.

 Dat prijzengeld voor de deelname aan een wedstijd kwalificeert als de vergoeding voor een prestatie is al eerder geoordeeld in HR 12 juni 1996, nr. 31.175 en HvJ 17 september 2002, nr. C-498/99 (Town & County Factors). Zie  In Nederland geldt het beleid dat de vergoeding voor het in pension houden van paarden in drie delen mag worden gesplitst, te weten 1/3 deel verhuur van de paardenbox (vrijgesteld), 1/3 deel instructie en training met het gebruik van de rijaccommodatie als het gelegenheid geven tot sportbeoefening (6%-tarief, want gelegenheid geven tot sportbeoefening) en 1/3 verzorging en voeding (algemene tarief, want overige prestaties). Zie