7 juni 2017Weigering btw-aftrek autohandelaar wegens misbruik van recht of schijnhandelingen?

Bij misbruik van recht of schijnhandelingen heeft de belastingplichtige geen recht op aftrek van de in rekening gebrachte btw. Hoewel het gevolg van misbruik van recht en schijnhandelingen identiek kan zijn, verschillen deze situaties hemelsbreed. Bij misbruik van recht hebben de rechtshandelingen daadwerkelijk plaatsgevonden, maar leiden deze handelingen tot een resultaat dat in strijd is met de strekking van de wet en is het behalen van een belastingvoordeel het wezenlijke doel. Is sprake van schijnhandelingen dan hebben de rechtshandelingen niet (lees: slechts op papier) plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft recent duidelijk gemaakt dat uit de motivering van de uitspraak door de rechter moet blijken of de weigering van de btw-aftrek gebaseerd is op misbruik van recht of schijnhandelingen.

In deze zaak gaat het om een fiscale eenheid van twee B.V., waarvan er één een autobedrijf exploiteert (hierna: de autohandelaar). De autohandelaar brengt van 20 januari 2009 tot en met 7 december 2010 de btw in aftrek die vermeld staat op de facturen van auto’s die de autohandelaar heeft ontvangen van een leverancier. De autohandelaar reikt voor de (door)verkoop van de auto’s facturen uit en berekent hierover btw die hij op aangifte voldoet. De FIOD houdt in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de leverancier van de autohandelaar de transacties tegen het licht die de autohandelaar met deze leverancier is aangegaan. Op basis van dit onderzoek neemt de inspecteur het standpunt in dat de auto’s niet aan autohandelaar zijn geleverd, zodat de facturen van de autohandelaar geen transacties betreffen die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. De inspecteur heft de in aftrek gebrachte btw ten bedrage van € 2,45 miljoen na. In geschil is of dit terecht is.

Na bezwaar tegen de naheffingsaanslag vermindert de inspecteur de naheffingsaanslag tot € 2,38 miljoen. In eerste aanleg stelt Rechtbank Den Haag de inspecteur in het gelijk, omdat de autohandelaar uitsluitend de financier van de auto’s is geweest en niet de afnemer. In hoger beroep bevestigt Hof Den Haag dit oordeel. De Hoge Raad casseert deze uitspraak, omdat uit de uitspraak van dit hof niet blijkt of alle relevante ‘afnemersomstandigheden’ (het lopen van debiteurenrisico, de opname in de handelsvoorraad van de autohandelaar etc) zijn meegewogen. Na verwijzing van de zaak naar Hof Amsterdam oordeelt dit hof dat de autohandelaar geen recht heeft op btw-aftrek, omdat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat aan de facturen een kunstmatige constructie ten grondslag ligt die de economische realiteit niet weergeeft. Aan de facturen liggen volgens het hof geen overeenkomsten van koop en verkoop ten grondslag, maar een financieringsovereenkomst met bijkomend dienstbetoon. Volgens het hof is in die omstandigheden geen sprake van daadwerkelijke leveringen van de auto’s aan en door de autohandelaar waardoor de btw-aftrek terecht is nageheven. De autohandelaar stelt tegen deze uitspraak cassatieberoep in.

De Hoge Raad oordeelt dat de uitspraak van Hof Amsterdam onvoldoende inzicht geeft in de gedachtegang van het hof. Voor zover het hof de weigering van de btw-aftrek baseert op misbruik van recht is het essentieel om vast te stellen dat het wezenlijke doel van de kunstmatige constructie is gelegen in het halen van een btw-voordeel. In de uitspraak van het hof ontbreekt echter een dergelijke vaststelling. Heeft het hof de btw-aftrek geweigerd, omdat de auto’s in werkelijkheid niet zijn geleverd aan de autohandelaar dan is het hof niet uitgegaan van een juiste uitleg van het begrip ‘levering’. Voor de vraag of de auto’s aan de autohandelaar geleverd zijn is niet doorslaggevend of de leverancier volgens de economische en commerciële realiteit aan de autohandelaar heeft geleverd in die zin dat de autohandelaar het volledige economische belang kreeg respectievelijk dat de autohandelaar zelf rechtstreeks met de leveranciers en de koper van de auto’s contact onderhield. Ook is niet doorslaggevend of de redenen voor het sluiten van de overeenkomsten zijn gelegen in de omstandigheid dat de autohandelaar over de benodigde middelen beschikte om de auto’s te kopen, terwijl het niet op naam van de autohandelaar zetten van de kentekens niet betekent dat de auto’s niet door de autohandelaar zijn afgenomen. Ook in onderlinge samenhang bezien zijn deze omstandigheden onvoldoende om aan te nemen dat de autohandelaar niet de afnemer is van de auto’s. De Hoge Raad verwijst de zaak ter verdere behandeling naar Hof ’s Hertogenbosch. Dit hof moet vaststellen of de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de leverancier jegens de autohandelaar geen (overdrachts)handeling heeft verricht die de autohandelaar op enig moment in staat stelde als eigenaar over de auto’s te beschikken.

 De Hoge Raad heeft in deze zaak voor de tweede keer duidelijk gemaakt dat de motivering van het hof voor het in stand laten van de naheffing van de btw-aftrek niet deugt. Duidelijk is dat de autohandelaar in deze zaak de schijn tegen heeft. Dit laat onverlet dat ook in die situaties van rechters mag worden verlangd dat zij hun uitspraak zorgvuldig motiveren. Naar onze mening zet de Hoge Raad terecht een streep door de motivering van het oordeel van het hof. Anders dan de Hoge Raad oordeelt, is het ons inziens duidelijk dat het hof de aftrekweigering baseert op schijnhandelingen en niet op misbruik van recht. Dit laat onverlet dat het hof ‘misbruikoverwegingen’ (kunstmatige constructie, contracten weerspiegelen niet de economische realiteit etc) ten onrechte bepalend en zelfs doorslaggevend heeft geacht voor de weigering van de btw-aftrek. Dat de Hoge Raad de zaak verwijst voor een nader onderzoek naar de vraag of de autohandelaar de afnemer is, achten wij daarom juist. Het is duidelijk dat de inspecteur aan de slag moet om het Hof ’s Hertogenbosch ervan te overtuigen dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. De Hoge Raad oordeelt namelijk dat dit hof moet beoordelen of de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de auto’s niet zijn geleverd aan de fiscale eenheid. De reden voor deze bewijslastverdeling houdt verband met de jurisprudentie van de Hoge Raad op grond waarvan een btw-ondernemer aan wie facturen zijn uitgereikt waarop hij wordt genoemd als de afnemer van de prestatie en verplicht wordt de vergoeding te betalen geacht wordt de afnemer te zijn, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op