4 mei 2015Volledige btw-aftrek apotheker voor inrichting praktijkruimten huisartsen

Een exploitant van een apotheek heeft recht op aftrek van de btw van de kosten die hij heeft gemaakt voor de afbouw inrichting van de praktijkruimten van de vijf huisartsen, met wie hij een bedrijfsverzamelgebouw huurt, zo heeft de Hoge Raad recent geoordeeld.

Een exploitant van een apotheek heeft met vijf huisartsen gezamenlijk een (casco) bedrijfsverzamelgebouw gehuurd, teneinde een samenwerking tot stand te brengen. De ruimten in dit gebouw zijn afgebouwd en ingericht voor een bedrag van ruim anderhalf miljoen euro, dat door de dienstverrichters aan de apotheker is gefactureerd en volledig door hem is betaald. De apotheker heeft vervolgens de btw over dit bedrag volledig in aftrek gebracht. De inspecteur heeft een deel van deze btw nageheven en voert daarvoor verschillende redenen aan. 

De inspecteur is van mening dat niet de apotheker, maar de huisartsen afnemer zijn voor (een deel van) de prestaties. Rechtbank Den Haag stond echter volledige btw-aftrek toe en vernietigde de door de inspecteur opgelegde naheffingsaanslag. In hoger beroep oordeelde Hof Den Haag tegengesteld, namelijk dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd omdat er kennelijk ook tussen de dienstverrichters en de huisartsen rechtsbetrekkingen hebben bestaan, nu zij deel hebben genomen aan overleg over de inrichting van het gebouw. De inrichtingsprestaties dienden bovendien met name het belang van de huisartsen. Mocht de apotheker al afnemer zijn, dan heeft zij naar het oordeel van het hof geen recht op aftrek in verband met de toepasbaarheid van het BUA.

In cassatie gaat de Hoge Raad in op de vraag of de inrichtingswerkzaamheden aan de apotheker zijn verricht, één van de vier voorwaarden voor het recht op aftrek. Een levering wordt aan de ondernemer verricht en een dienst wordt aan de ondernemer verleend, indien de ondernemer die de levering verricht dan wel de dienst verleent met de ondernemer een rechtsbetrekking is aangegaan ingevolge welke de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend, zo blijkt uit eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad. Hieraan doet volgens de Hoge Raad niet af dat de huisartsen een groot belang hadden bij de werkzaamheden alsmede de omstandigheid dat de werkzaamheden ook in overleg met de huisartsen en conform hun wensen zijn uitgevoerd. Indien het hof deze omstandigheden heeft meegewogen, getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting.

Voorts oordeelt de Hoge Raad dat, wil het BUA (zie 10.3.4) van toepassing zijn, de apotheker de inrichtingskosten in het kader van zijn onderneming heeft gemaakt, aangezien anders niet aan het BUA wordt toegekomen. Naar de mening van de A-G is van een relatiegeschenk zoals bedoeld in het BUA (zie 10.3.4.3) geen sprake, omdat dit veronderstelt dat tussen de apotheker en de huisartsen reeds een zakelijke relatie bestond, hetgeen in casu niet het geval is. Daarnaast is evenmin sprake van een ‘andere gift’, nu de apotheker de inrichting niet uit vrijgevigheid heeft bekostigd, maar uit zakelijke motieven, namelijk omzetvergroting.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en verwijst de zaak naar Hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Zie 10.1.1 voor meer informatie over de aftrek van in rekening gebrachte btw.

 

 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op