6 juli 2015Vervoer menselijke organen en afgenomen monsters in opdracht van ziekenhuizen en laboratoria niet btw-vrijgesteld

De Belgische Nathalie de Fruytier vervoert als zelfstandige menselijke organen en bij mensen afgenomen monsters voor verschillende ziekenhuizen en laboratoria. Zij verricht deze activiteiten onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van een arts. De Fruytier is van mening dat haar activiteiten zijn vrijgesteld van btw-heffing. 

In procedures over deze vraag is De Fruytier in eerste en tweede aanleg in het gelijk gesteld. In cassatieberoep heeft de Belgische rechter in 2009 een prejudiciële gesteld aan het HvJ EU over de uitlegging van de vrijstelling voor de levering van menselijke organen, bloed en moedermelk (art. 13, a, lid 1, onder d van de btw-richtlijn). Het HvJ EU oordeelde in 2010 dat de zelfstandige activiteit van vervoer van menselijke organen en bij mensen afgenomen monsters voor verschillende ziekenhuizen en laboratoria niet is vrijgesteld van btw-heffing. Na verwijzing van de zaak is deze nu in behandeling bij het cour d’appel de Mons. Tijdens de mondeling behandeling van de zaak bij dit Belgische hof heeft De Fruytier een beroep gedaan op de medische vrijstelling (art. 13, a, lid 1, onder b en c van de btw-richtlijn). Daarop is de zaak geschorst en zijn opnieuw prejudiciële vragen gesteld. In de vraagstelling is benadrukt dat de diensten van De Fruytier in aanmerking komen voor vergoeding door de sociale zekerheid. 

Het HvJ EU heeft in deze zaak geoordeeld dat de vervoersdiensten van De Fruytier duidelijk niet kwalificeren als vrijgestelde ‘medische verzorging’ of ‘gezondheidskundige verzorging’, aangezien zij niet tot de medische diensten behoren die rechtstreeks tot eigenlijk doel hebben de diagnose, behandeling of genezing van ziekten of gezondheidsproblemen en evenmin de bescherming, het behoud of herstel van de gezondheid. De diensten zijn evenmin aan te merken als vrijgestelde, nauw met medische handelingen samenhangende diensten, aangezien De Fruytier niet aan te merken is als een ‘publiekrechtelijk lichaam, en evenmin als een ‘ziekenhuis’ een ‘centrum voor diagnose’ of een ‘andere naar behoren erkende inrichting van dezelfde aard’ waarvan de activiteiten worden verricht onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor publiekrechtelijke lichamen. Het beroep op het beginsel van fiscale neutraliteit kan aan deze conclusie niet afdoen, aldus het HvJ EU, omdat dit geen beginsel van primair recht is waaraan de geldigheid van een vrijstelling kan worden getoetst, maar slechts een uitleggingsbeginsel, dat tezamen moet worden toegepast met het beginsel dat vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd.

Zie