14 maart 2016Verstrijken herzieningsperiode btw-aftrek niet relevant bij privégebruik goederen na bedrijfsbeëindiging

Op grond van art. 18, lid c btw-richtlijn (in Nederland geïmplementeerd in art. 3, lid 3, onderdeel c Wet OB) is het onder zich houden van goederen na de beëindiging van de btw-onderneming gelijkgesteld is met een levering tegen vergoeding. In een procedure voor het HvJ EU staat dit artikel centraal.

De Poolse btw-ondernemer Jan Mateusiak heeft in de jaren 1997 tot en met 1999 een pand gebouwd voor zakelijk en privégebruik. Vanaf de ingebruikneming heeft Mateusiak het pand voor privédoeleinden en voor zijn werkzaamheden als notaris gebruikt. Mateusiak heeft destijds slechts de btw op de bouw van het zakelijk gebruikte deel als voorbelasting in aftrek gebracht. Mateusiak vraagt zich nu af of, als hij zijn werkzaamheden als notaris beëindigt, het zakelijk gebruikte deel aan de btw-heffing onderworpen is. Zelf is hij van mening dat btw-heffing na het verstrijken van de herzieningsperiode niet meer rechtmatig is. De Poolse fiscus is echter een andere mening toegedaan. De hoogste Poolse bestuursrechter heeft in deze zaak de vraag gesteld of art. 18, lid c btw-richtlijn ook van toepassing is op investeringsgoederen waarvoor de herzieningsperiode is verstreken.

In deze zaak adviseert A-G Kokott het HvJ de vraag van de Poolse rechter bevestigend te beantwoorden. De tekst van  art. 18, lid c btw-richtlijn stelt namelijk geen beperking in de tijd aan de btw-heffing. Bovendien verwijst het artikel niet naar art. 187 btw-richtlijn, waarin de herziening van btw-aftrek aan de orde komt. Het verstrijken van de herzieningsperiode heeft dus geen invloed op de verschuldigdheid van btw bij het onder zich houden van goederen na bedrijfsbeëindiging.

A-G Kokott ziet overeenkomsten tussen art. 18, lid c btw-richtlijn en de regelingen inzake de herziening van de aftrek (waartoe art. 187 btw-richtlijn behoort). Beide regelingen moeten namelijk voorkomen dat goederen op grond van een reeds toegekende btw-aftrek onbelast kunnen worden gebruikt, hoewel de latere aard van het gebruik geen recht op btw-aftrek geeft. Op deze manier moet worden voorkomen dat een btw-ondernemer een ongerechtvaardigd economisch voordeel geniet ten opzichte van een eindgebruiker, zo volgt uit de rechtspraak. Het verschil is volgens de A-G echter dat de regels inzake de belasting over privégebruik  de specifiekere bepalingen vormen in verhouding tot de herziening van de aftrek en dat de herzieningsregels bovendien een op het verleden gericht correctief zijn, terwijl de belasting over privégebruik ook rekening houdt met de waardeontwikkeling van het bedrijfsvermogen tussen het tijdstip van verwerving en het tijdstip van ingebruikneming voor privédoeleinden. Gelet op die verschillen moeten de twee regelingen, zoals het HvJ reeds heeft aangegeven in het arrest Uudenkaupungin kaupunki, parallel en los van elkaar worden toegepast, aldus de A-G. Wel moet worden gezorgd voor een zekere coördinatie tussen beide, met het oog op de eerbiediging van het beginsel van fiscale neutraliteit. Aangezien in casu geen sprake is van dubbele belasting, is naar de mening van de A-G geen sprake van schending van dit beginsel.

Het HvJ moet nog arrest wijzen.

Uit de feiten blijkt niet wat het precieze belang van de procedure is. De levering van onroerend goed is op basis van de btw-richtlijn immers vrijgesteld van btw-heffing. Op grond van de Nederlandse wetgeving bestaat in elk geval geen twijfel over bovenstaande vraag. Artikel 3, lid 3, onderdeel c Wet OB en art. 15, lid 6 Wet OB worden parallel en los van elkaar toegepast. Zie 10.5 voor meer informatie over de herziening van btw-aftrek en 10.6.4 voor meer informatie over het onder zich houden van goederen na bedrijfsbeëindiging.

 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op