27 september 2016Verstrekken parkeergelegenheid bij natuurpark belast met 21% btw

Het verstrekken van parkeergelegenheid bij een natuurpark is volgens Hof Arnhem-Leeuwarden een zelfstandige dienst, die niet opgaat in het verlenen van toegang tot het natuurpark en die belast is met 21% btw.

Een in 1935 opgerichte stichting beheert en verleent tegen vergoeding toegang tot een park van ruim 5.400 hectare met onder meer bos, heidevelden, grasvlakten en zandverstuivingen. In het park leven verschillende dieren in het wild en zijn bijzondere boomsoorten te vinden. Het park is te voet of met de auto te bezoeken. Tevens zijn er op verschillende plaatsen in het park (gratis) witte fietsen waarmee bezoekers zich kunnen verplaatsen. Ook kunnen bezoekers hun eigen fiets meenemen of een blauwe fiets huren. Met de auto kan een beperkt deel van het park worden bereikt. In het park is het op een beperkt aantal plaatsen toegestaan om de auto te parkeren in de berm langs de weg. Bezoekers die met de auto naar het park gaan, maar het park niet met de auto willen betreden, kunnen deze parkeren op de daarvoor bestemde parkeerplaatsen, die zijn gelegen aan de doodlopende weg die eindigt bij een van de drie ingangen van het omheinde park. De toegangsprijs voor een volwassene bedroeg in 2012 € 8,20 per persoon. Bezoekers die met de auto toegang willen krijgen betalen per auto € 6 extra voor de toegang (tarief 2012). Bezoekers die de auto bij één van de drie ingangen van het park parkeren, betalen hiervoor € 2 (tarief 2012).

Over de omzet die wordt behaald met toegangskaarten en de entreegelden voor de auto’s heeft de stichting 6% btw op aangifte voldaan en over de opbrengsten van het parkeren (bij de toegangen tot het park) 19% btw. Over de maand augustus 2012 heeft de stichting bezwaar gemaakt tegen de voldoening van 19% btw voor het verstrekken van parkeergelegenheid bij de ingangen van het park. De inspecteur heeft dit bezwaar afgewezen waarna de stichting beroep heeft ingesteld bij Rechtbank Gelderland. Tussen partijen is niet in geschil dat de toegangverlening tot het park en het gelegenheid geven tot parkeren twee verschillende handelingen zijn. Uitsluitend in geschil is of het gelegenheid geven tot parkeren een bijkomende dienst is ten opzichte van de hoofdprestatie, de toegangverlening.

In eerste aanleg heeft Rechtbank Gelderland in deze zaak geoordeeld dat voor de modale consument de toegang tot het park de hoofddienst en het gelegenheid geven tot parkeren de bijkomende dienst is. In 2006 oordeelde de Hoge Raad dat het verstrekken van parkeergelegenheid bij een attractiepark een op zichzelf staande dienst was (het zogeheten ‘Efteling-arrest’). Niettemin leidt de rechtbank uit het arrest van de Hoge Raad inzake de verkoop van servicecertificaten af dat dit arrest niet zonder meer leidt tot btw-heffing voor het verstrekken van parkeergelegenheid. De rechtbank oordeelde dat in casu voor het publiek geen afzonderlijk belang bestaat bij het parkeren op de parkeerplaatsen van de stichting en dat de parkeerterreinen slechts geëxploiteerd worden met het doel om de bezoekers in staat te stellen het optimale genot van het park te krijgen.

In hoger beroep komt Hof Arnhem-Leeuwarden echter tot een ander oordeel, namelijk dat het gelegenheid geven tot parkeren voor de bezoeker een doel op zich is. De tijdelijke bestemming van zijn voertuig is voor een bezoeker die met de auto naar het natuurpark komt een behoefte op zich, en het voorzien in deze behoefte door de stichting is een zelfstandige prestatie vanuit financieel, economisch en organisatorisch perspectief. Het hof vindt bij dit oordeel steun in het Tellmer Property-arrest van het HvJ. Het beroep van de stichting op het gelijkheidsbeginsel wordt afgewezen, omdat de onderhavige casus en de gevallen zoals genoemd in het begunstigend beleid voor exploitanten van kamp-, hotel-, pension- en vakantiebestedingsbedrijven geen feitelijk gelijke gevallen zijn. In de laatst genoemde gevallen bestaat namelijk de noodzaak om in de nabijheid gelegenheid tot parkeren te bieden. Deze noodzaak is er voor de stichting niet, aldus het hof.

Het oordeel van het hof komt overeen met het oordeel van de Hoge Raad in het ‘Efteling-arrest’ uit 2006. Het hof toetst de casus – ons inziens terecht – ook aan het Servicecertificaten-arrest’, dat van later datum is (2012) en waarin geoordeeld is dat als bij het tegelijkertijd verrichten van twee handelingen geen sprake is van een kunstmatige splitsing van één prestatie, niet uitgesloten is dat die handelingen niettemin voor de btw-heffing hetzelfde fiscale lot moeten delen, als sprake is van een hoofdprestatie en bijkomende prestatie.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op