13 december 2018Vermogensbeheerdiensten waarvoor AFM-vergunning is verleend btw-vrijgesteld

Feiten

Een BV, die deel uitmaakt van een fiscale eenheid, verricht werkzaamheden op het gebied van vermogensbeheer. De BV heeft een vergunning van de AFM om als beleggingsonderneming diensten te verrichten die zien op het beheer van individuele vermogens en het verlenen van individuele beleggingsdiensten. Daarnaast beschikt de BV over een vergunning om als beleggingsfonds collectieve vermogens te beheren. BV biedt onder haar vergunning als beleggingsonderneming een product voor ‘collectief vermogensbeheer’ aan met verschillende beleggingsprofielen. In verband met de verplichte vermogensscheiding maakt de BV gebruikt van een beleggersgiro en heeft daartoe een stichting opgericht. Voor dit product berekent de stichting een vaste vergoeding van 0,90% over de waarde van het belegde vermogen per jaar (een management fee) en daarnaast een vergoeding van 12% over de netto waarde toename per jaar (de performance fee).

Procedure

Tussen de BV en de inspecteur van de Belastingdienst is verschil van mening over de toepassing van de btw-vrijstelling. Naar de mening van de BV is de management fee aan te merken als de vergoeding voor het beheer van ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens, een prestatie die is vrijgesteld van btw-heffing op grond van art. 11, lid 1, onderdeel i, 3° Wet OB. De performance fee moet naar de mening van de BV buiten de btw-heffing blijven, omdat het geen vergoeding is in de zin van de Wet OB. Subsidiair stelt de BV dat de vrijstelling voor verzekeringsactiviteiten ook van toepassing is op de performance fee. Naar de mening van de inspecteur zien de vermogensbeheerdiensten echter op individueel vermogensbeheer waarop de vrijstelling niet van toepassing is. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het aanbieden van producten waarbij het individuele vermogen van cliënten beheerd wordt, is niet aan te merken als btw-vrijgestelde beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Tussen partijen is niet in geschil dat het product wordt aangeboden binnen het kader van de vergunning voor individueel vermogensbeheer in de zin van de Wft (vergunning) en dat noch de BV, noch de stichting een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is.

Hof

Hof Amsterdam oordeelt dat de BV aannemelijk heeft gemaakt dat het in de stichting bijeengebrachte vermogen kwalificeert als een gemeenschappelijk beleggingsfonds.

Het hof stelt dat uit de algemene voorwaarden volgt dat het samenvoegen van de activa van diverse beleggers op één centrale rekening tot doel heeft het risico van de beleggers te spreiden over meerdere effecten, waarbij de voor-en nadelen de beleggers in gelijke mate raken. Het product wordt door de BV in haar brochure aangeprezen met de woorden : ‘minder risico door brede spreiding’. In dat kader worden de vijf (beleggings)profielen aangeboden: van zeer defensief tot offensief. Binnen het gekozen profiel is geen ruimte voor individuele interventies door de belegger: hij kan enkel in-of uitstappen. De bellegingsprofielen fungeren binnen het fonds als subfonds. De ‘verklaring van aanvaarding van voorwaarden’ en de algemene voorwaarden vermeldt dienaangaande dat – in het kader van het collectieve beheer – de belegger geen kwantitatieve of kwalitatieve beperking kan stellen ten aanzien van de (categorieën van) financiële instrumenten waarin wordt belegd. Blijkens de Mutatievoorwaarden en Tarieven betalen beleggers allemaal (afhankelijk van het ingelegde vermogen) eenzelfde vergoeding voor de beheersdiensten.

Bovenstaande feiten en omstandigheden laten naar het oordeel van het hof geen ander oordeel toe dan dat de vermogens van de beleggers zowel in juridische als in economische zin worden samengevoegd. Met dit verkregen gezamenlijk vermogen worden door de Stichting, voor rekening en risico van de gezamenlijke beleggers, tegen een gelijke vergoedingen, met inachtneming van het beginsel van risicospreiding, effecten aan- en verkocht. Daarmee voldoet het vermogen van de Stichting aangehouden op de Centrale rekening aan de essentiële kenmerken van een gemeenschappelijk beleggingsfonds.

Het essentiële criterium waaraan een gemeenschappelijk beleggingsfonds moet voldoen, is dat de activa van verschillende begunstigden moet worden samengevoegd, waardoor hun risico gespreid kan worden over een aantal effecten, zo volgt uit jurisprudentie van het HvJ, waaronder het arrest ATP Pension Service.

In deze casus leidt het hof uit de feiten en omstandigheden af dat het in de stichting bijeengebrachte vermogen kwalificeert als een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Wij betwijfelen of dit zo is. Wij betwijfelen of het aanbieden van een product, dat binnen de vergunning voor individueel vermogensbeheer aangeboden wordt en waarbij de deelnemers slechts risico lopen conform hun beleggersprofiel en hun aandeel in het vermogen op de centrale rekening, onder de btw-vrijstelling valt die geldt voor het beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Dat het product door de BV en stichting wordt aangeduid als ‘collectief vermogensbeheer’, doet hieraan niet af. Zie 8.3.1.8 voor meer informatie over de btw-vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op