20 maart 2018Vermogensbeheerder verlegde btw verschuldigd over ingekochte diensten

Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat een vermogensbeheerder ten onrechte geen verlegde btw heeft aangegeven voor diensten van buitenlandse leveranciers.

Feiten

Een BV (hierna: vermogensbeheerder) is de vermogensbeheerder van een NV. De NV (hierna: beleggingsmaatschappij) is een beleggingsmaatschappij waarin ter collectieve belegging een vermogen is bijeengebracht, zoals bedoeld in art. 11, lid 1, onderdeel i, ten derdeWet OB. De vermogensbeheerder verricht hoofdzakelijk vrijgestelde diensten als bedoeld in die bepaling. In het kader van haar activiteiten heeft de vermogensbeheerder diensten van derden afgenomen. Tot 15 mei 2008 maakte de vermogensbeheerder gebruik van de diensten van een andere NV (NV 2). In de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2012 betreft dat diensten van zestal bedrijven, waarvan er vier in het buitenland gevestigd zijn (hierna: de buitenlandse dienstverleners) en twee in Nederland gevestigde BV’s (hierna: BV 1 en BV 2). De inspecteur is van mening dat de vermogensbeheerder de door BV 1 en BV 2 in rekening gebrachte btw ten onrechte volledig in aftrek heeft gebracht. Verder is de inspecteur van mening dat de vermogensbeheerder ten aanzien van de diensten die zij van buitenlandse dienstverleners heeft afgenomen verlegde btw op aangifte had moeten voldoen. De inspecteur heeft om die reden naheffingsaanslagen opgelegd aan de vermogensbeheerder over de jaren 2010 tot en met 2012. De vermogensbeheerder is van mening dat de diensten die zij afneemt zijn vrijgesteld op grond van art. 11, lid 1, onderdeel i sub 3 Wet OB. Daarnaast is de vermogensbeheerder van mening dat de inspecteur bij haar het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat zij de door de vijf dienstverleners gefactureerde btw in aftrek kan brengen.

Rechtbank

Rechtbank Den Haag beoordeelt eerst of de door de vermogensbeheerder van de vijf dienstverleners ingekochte diensten kunnen worden aangemerkt als het beheer van een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen. De rechtbank verwijst hierbij naar Abbey National II-arrest waarin het HvJ overwoog dat het doel van de vrijstelling van het beheer van ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens is met name kleine beleggers het beleggen in effecten via beleggingsinstellingen mogelijk te maken en te garanderen dat het gemeenschappelijk btw-stelsel fiscaal neutraal is met betrekking tot de keuze tussen rechtstreeks beleggen in effecten en beleggen via gemeenschappelijke beleggingsfondsen. De handelingen waarvoor deze vrijstelling geldt, zijn dan ook de handelingen die specifiek zijn voor de activiteit van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zoals taken van portefeuillebeheer, taken van administratie van gemeenschappelijke beleggingsfondsen zelf, zoals genoemd in bijlage 2 bij richtlijn 85/611, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/107, onder de rubriek ‘administratie’. Onder deze bepaling vallen daarentegen niet taken van een bewaarder van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

De rechtbank oordeelt dat de van buitenlandse dienstverleners afgenomen diensten niet zijn vrijgesteld op grond van art. 11, lid 1, onderdeel i, ten derde Wet OB. Uit de contracten met de dienstverleners blijkt volgens de rechtbank dat de door hen verrichte diensten geen intrinsiek verband houden met de eigen activiteiten van de vermogensbeheerder. Volgens de rechtbank is er namelijk sprake van management/directiewerkzaamheden en het verstrekken van algemene markt-, krediet- en risicoanalyses. De vermogensbeheerder heeft in zoverre dan ook ten onrechte geen verlegde btw aangegeven en de in rekening gebrachte btw ten onrechte in aftrek gebracht. Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel oordeelt de rechtbank, dat zo al is er sprake van een bewuste standpuntbepaling, dan nog heeft die standpuntbepaling enkel betrekking op de diensten verleend door NV 2 en BV 1. De vermogensbeheerder heeft daaraan redelijkerwijs niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat hetzelfde heeft te gelden voor alle door haar afgenomen diensten. De rechtbank stelt de inspecteur in het gelijk.

Wij zijn het eens met de uitspraak van de rechtbank. Hoewel het begrip beheer volgens het Abbey National II-arrest in alle lidstaten hetzelfde moet worden uitgelegd, blijkt dat EU-lidstaten de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen verschillend uitleggen. Zo geeft de Luxemburgse wetgever een ruimere uitleg aan de btw-vrijstelling dan Nederland. Dit op basis van de wet die door Luxemburg op 10 juli 2013 is aangenomen (AIFM-wet) die voorziet in een implementatie van de Europese richtlijn voor beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (AIFM-richtlijn). De Luxemburgse belastingdienst neemt het standpunt in dat risicomanagement als het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen kwalificeert. In Nederland wordt risicomanagement niet als een beheerdienst beschouwd. Het probleem is dus dezelfde diensten op het gebied van vermogensbeheer in de diverse lidstaten op andere wijze worden behandeld. Dit leidt tot een verstoring van de fiscale neutraliteit. Zie 8.3.1.8 voor meer informatie over de btw-vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op