22 juni 2017Vermogensbeheer op basis van individueel beleggingsprofiel btw-belast

Het aanbieden van producten waarbij het individuele vermogen van cliënten beheerd wordt, is naar het oordeel van Rechtbank Noord-Holland niet aan te merken als het btw-vrijgestelde beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds.

Een BV, die deel uitmaakt van een fiscale eenheid, verricht werkzaamheden op het gebied van vermogensbeheer. De BV heeft een vergunning van de AFM om als beleggingsonderneming diensten te verrichten die zien op het beheer van individuele vermogens en het verlenen van individuele beleggingsdiensten. Daarnaast beschikt de BV over een vergunning om als beleggingsfonds collectieve vermogens te beheren. BV biedt onder haar vergunning als beleggingsonderneming een product voor ‘collectief vermogensbeheer’ aan met verschillende beleggingsprofielen. In verband met de verplichte vermogensscheiding maakt de BV gebruikt van een beleggersgiro en heeft daartoe een stichting opgericht. Voor dit product berekent de stichting een vaste vergoeding van 0,90% over de waarde van het belegde vermogen per jaar (een management fee) en daarnaast een vergoeding van 12% over de netto waardetoename per jaar (de performance fee).

Tussen de BV en de inspecteur van de Belastingdienst is verschil van mening over de toepassing van de btw-vrijstelling. Naar de mening van de BV is de management fee aan te merken als de vergoeding voor het beheer van ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens, een prestatie die is vrijgesteld van btw-heffing op grond van art. 11, lid 1, onderdeel i, 3° Wet OB. De performance fee moet naar de mening van de BV buiten de btw-heffing blijven, omdat het geen vergoeding is in de zin van de Wet OB. Subsidiair stelt de BV dat de vrijstelling voor verzekeringsactiviteiten ook van toepassing is op de performance fee. Naar de mening van de inspecteur zien de vermogensbeheerdiensten echter op individueel vermogensbeheer waarop de vrijstelling niet van toepassing is. De management fee en performance fee vormen samen de vergoeding voor de niet-vrijgestelde diensten, die volgens de inspecteur betrekking hebben op het beheer van het individuele vermogen van cliënten en dus niet aan te merken zijn als collectief vermogensbeheer. De vrijstelling is alleen van toepassing als de afnemer een gemeenschappelijk beleggingsfonds is. Als de vergoeding betrekking zou hebben op het beheer van het vermogen van de stichting, dan is de vrijstelling naar de mening van de inspecteur alsnog niet van toepassing, omdat de stichting geen gemeenschappelijk beleggingsfonds is. De BV heeft bezwaar en beroep aangetekend. Tussen partijen is niet in geschil dat het product wordt aangeboden binnen het kader van de vergunning voor individueel vermogensbeheer in de zin van de Wft (vergunning) en dat noch de BV, noch de stichting een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is.

Rechtbank Noord-Holland heeft het beroep van de BV ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk gemaakt dat de BV en/of stichting voor wat betreft het product dezelfde kenmerken vertonen als een icbe en dus dezelfde handelingen verrichten als een icbe of zodanig vergelijkbaar zijn dat zij kunnen concurreren met icbe’s. Er is geen sprake van een bijeengebracht vermogen, aldus de rechtbank: de cliënten geven aan de BV namelijk de opdracht om hun individuele vermogen te beheren en storten daartoe het te beheren vermogen op een centrale rekening. Zij lopen vervolgens slechts risico overeenkomstig het voor hen geldende beleggersprofiel en hun aandeel in het vermogen op de centrale rekening. Dit is niet vergelijkbaar met de werkwijze van een gemeenschappelijk beleggingsfonds, waarbij de activa van verschillende begunstigden wordt samengevoegd, waardoor het risico van deze begunstigden kan worden gespreid over een aantal effecten. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat daarnaast een rechtstreeks verband tussen de (gehele) door de cliënten verschuldigde fee en de vermogensbeheerdiensten, omdat er een rechtsbetrekking bestaat op grond waarvan de BV vermogensbeheerdiensten verrichten en de cliënten daarvoor een vergoeding verschuldigd zijn. Hieraan doet niet af dat een deel van de vergoeding, namelijk de performance fee, afhankelijk is van het resultaat van de beleggingen en het aldus vooraf onzeker is of dat deel zal worden ontvangen. Het beroep van de BV op het Baštová-arrest van het HvJ treft daarom geen doel. 


 Het essentiële criterium waaraan een gemeenschappelijk beleggingsfonds moet voldoen, is dat de activa van verschillende begunstigden moet worden samengevoegd, waardoor hun risico gespreid kan worden over een aantal effecten, zo volgt uit jurisprudentie van het HvJ, waaronder het arrest ATP Pension Service. Het is ons inziens dan ook niet meer dan logisch dat het aanbieden van een product, dat binnen de vergunning voor individueel vermogensbeheer aangeboden wordt en waarbij de deelnemers slechts risico lopen conform hun beleggersprofiel en hun aandeel in het vermogen op de centrale rekening, niet onder de btw-vrijstelling valt die geldt voor het beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Dat het product door de BV en stichting wordt aangeduid als ‘collectief vermogensbeheer’, doet hieraan niet af. Zie 8.3.1.8
voor meer informatie over de btw-vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op