23 december 2015Verlenen elektronische diensten vanuit land met lager btw-tarief geen misbruik van recht

Het verlenen van elektronische diensten vanuit een lidstaat waar een lager btw-tarief geldt kan op zich niet worden beschouwd als een belastingvoordeel dat in strijd met de doelstellingen van de btw wordt toegekend. Dit ligt slechts anders als de dienst daadwerkelijk niet vanuit deze lidstaat, maar vanuit een andere lidstaat wordt verricht, zo heeft het HvJ EU recent geoordeeld. 

WebMindLicenses Kft. (hierna: WML), een Hongaarse vennootschap waarvan 100% van het kapitaal in handen is van de bestuurder, heeft op 1 september 2009 van de Portugese vennootschap Hypodest Patent Development Company om niet knowhow verkregen voor de exploitatie van een website. Via deze site werden interactieve audiovisuele diensten met erotische inhoud live door personen uit de hele wereld verstrekt. Op dezelfde dag heeft WML de knowhow via een licentieovereenkomst toevertrouwd aan de Portugese vennootschap Lalib – Gestão e Investimentos Ld. (hierna: Lalib). De Hongaarse fiscus heeft WML diverse navorderingen en boetes opgelegd, omdat de overdracht van de knowhow door WML aan Lalib volgens de fiscus niet beantwoordde aan een werkelijke economische handeling, aangezien deze knowhow in werkelijkheid door WML werd geëxploiteerd en de exploitatie daarom moest worden geacht op het Hongaarse grondgebied te hebben plaatsgevonden. De nationale belasting- en douanedienst was vervolgens van mening dat WML zich schuldig had gemaakt aan rechtsmisbruik, door de Hongaarse belastingwetgeving – die minder gunstig is dan de Portugese – te omzeilen. WML heeft tegen deze beslissing beroep aangetekend. De Hongaarse rechter heeft in deze zaak zeventien prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU.


In zijn beantwoording van de vragen merkt het HvJ EU allereerst op dat het verbod om misbruik van recht het verbod met zich meebrengt van zuiver kunstmatige constructies die geen verband houden met de economische realiteit en alleen bedoeld zijn om een belastingvoordeel te verkrijgen. Het feit dat in een lidstaat een minder hoog normaal btw-tarief geldt dan in een andere lidstaat, kan op zich niet worden beschouwd als een belastingvoordeel dat in strijd met de doelstellingen van de btw wordt toegekend, aangezien de btw-tarieven in de btw-richtlijn niet geharmoniseerd zijn maar alleen een minimumtarief is vastgesteld. Dat ligt echter anders, aldus het HvJ EU, als de dienst daadwerkelijk vanuit een andere lidstaat wordt verricht. De vaststelling van de werkelijke plaats van dienst moet berusten op objectieve en door derden controleerbare elementen, zoals het fysiek bestaan van Lalib in termen van lokalen, personeel en uitrusting. Andere feiten, zoals het feit dat de bestuurder van WML de ontwikkelaar van de knowhow was, zijn naar het oordeel van het HvJ EU op zich niet van doorslaggevend belang. 

Als misbruik is vastgesteld, moeten de verrichte transacties zodanig worden geherdefinieerd dat de situatie wordt hersteld zoals zij zou zijn geweest zonder de transacties die dat misbruik vormen, vervolgt het HvJ EU. De plaats van dienst moet dan worden gerectificeerd en de btw moet worden voldaan in de lidstaat waarin die had moeten worden voldaan, ook al is die betaald in de andere lidstaat. Vervolgens is een lidstaat, die onderzoekt of btw verschuldigd is voor reeds in andere lidstaten aan de btw onderworpen diensten, verplicht om een verzoek om inlichtingen te richten tot de belastingdiensten van deze andere lidstaten wanneer een dergelijk verzoek nuttig of zelfs onontbeerlijk is om te bepalen of de btw in eerstbedoelde lidstaat verschuldigd is. 

Op de laatste vraag van de verwijzende rechter – namelijk of de btw-richtlijn zich voor het aantonen van het misbruik van recht verzet tegen het gebruik van bewijzen die in een parallelle nog niet afgesloten strafprocedure buiten het medeweten van de belastingplichtige zijn verkregen, bijvoorbeeld afgeluisterde telefoongesprekken en in beslag genomen e-mails – oordeelt het HvJ EU dat een belastingdienst gebruik mag maken van bewijzen die in een parallelle, nog niet afgesloten strafprocedure zijn verkregen, mits de door het Unierecht en inzonderheid het Handvest gewaarborgde rechten worden geëerbiedigd. De nationale rechter zal na moeten gaan of de onderzoeksmiddelen bij wet vastgesteld en zowel in de strafprocedure als in de belastingprocedure noodzakelijk waren. Is dit niet het geval, dan moeten deze bewijzen buiten beschouwing gelaten worden. 

Zie 13 voor meer informatie over misbruik van recht.

 

 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op