6 januari 2016Verkoop niet-gebruikte vliegtickets belast met btw

In een tweetal gevoegde zaken is door het HvJ EU geoordeeld dat luchtvaartmaatschappijen btw verschuldigd zijn over de verkoop van vliegtickets die door passagiers niet worden gebruikt en de forfaitaire vergoeding die zij met betrekking tot deze tickets onderling aan elkaar betalen.

De eerste zaak betreft de onderneming Air France-KLM, die passagiers binnen het Franse grondgebied vervoert. Vanaf 1999 droeg Air France-KLM niet langer de btw af over bedragen die zij ontvangen had van passagiers die de door hen ingekochte vluchten niet hadden gebruikt. Dit betrof zowel niet-omwisselbare vliegticketsdie vervallen waren omdat de passagiers niet op waren komen dagen en omwisselbare vliegtickets, die vervallen waren omdat zij niet voor de vervaldatum gebruikt waren. De Franse fiscus stelt zich op het standpunt dat Air France-KLM 5,5% btw (het verlaagde tarief dat geldt voor binnenlands luchtvervoer van passagiers) verschuldigd is over de bedragen.

De tweede zaak betreft de onderneming Hop!-Brit Air SAS, die het luchtvervoer van passagiers verzorgde in het kader van een franchiseovereenkomst met Air France-KLM, die voor deze onderneming de vliegticketsverkocht en het verkoopproces van de lijnen beheerde. Air France-KLM inde de prijs van de vliegticketsen stortte deze door aan Hop!-Brit Air SAS. Voor verkochte vliegticketsdie niet waren gebruikt omdat de passagier niet was komen opdagen of omdat de geldigheidsduur van het biljet was verstreken, betaalde Air France-KLM jaarlijks een forfaitaire vergoeding aan Hop!-Brit Air SAS, namelijk 2% van de omzet (inclusief btw) die in dat jaar was behaald met de in franchise geëxploiteerde lijnen. Hop!-Brit Air SAS voldeed over deze vergoeding geen btw. Naar de mening van de Franse fiscus is btw verschuldigd over deze forfaitaire vergoedingen.

Het HvJ EU is in deze zaken allereerst van oordeel dat de bedragen die de luchtvaartmaatschappijen behouden als passagiers niet komen opdagen voor de vlucht aan te merken zijn als een betaling. De passagier krijgt namelijk, als tegenwaarde voor de aankoopprijs, het recht om gebruik te maken van de uitvoering van de verplichtingen die uit de vervoersovereenkomst voortvloeien, ongeacht of hij dit effectief doet. De luchtvaartmaatschappij verricht haar prestatie zodra zij de passagier in staat stelt om van deze diensten gebruik te maken. De bedragen zijn daarom niet aan te merken als contractuele schadevergoedingen die niet aan de btw zijn onderworpen omdat zij strekken tot vergoeding van de door de luchtvaartmaatschappij geleden schade. Dit zou ertoe leiden dat de aard van de door de passagier betaalde tegenprestatie wijzigt en de luchtvaartmaatschappij een schadevergoeding ontvangt die hoger is dan de prijs van de vlucht (namelijk een bedrag inclusief btw in plaats van exclusief btw). Kortom, de verkoop van deze vliegticketsis belast met btw. Naar het oordeel van het HvJ EU is deze btw verschuldigd op het ogenblik waarop de prijs van het ticket wordt ontvangen door de luchtvaartmaatschappij zelf of door een derde die in haar naam of op eigen naam en voor haar rekening optreedt.

De forfaitaire vergoedingen die Air France-KLM jaarlijks aan Hop!-Brit Air SAS betaalt voor de verkochte, niet-gebruikte vliegticketszijn naar het oordeel van het HvJ EU niet aan te merken als schadevergoedingen. De luchtvaartmaatschappij lijdt immers geen schade door het niet komen opdagen van de passagier, aangezien de passagier reeds heeft betaald. De afgesproken forfaitaire vergoeding kan daarom niet worden beschouwd als een door partijen onderling vastgelegde vergoeding voor de door Hop!-Brit Air SAS geleden schade, maar blijkt integendeel overeen te stemmen met de waarde die de luchtvaartmaatschappijen hebben toegekend aan de verkochte, niet-gebruikte vliegtickets. Er bestaat een rechtstreeks verband tussen de door Hop!-Brit Air SAS verrichte dienst en de daarvoor ontvangen vergoeding. De forfaitaire vergoedingen zijn daarom belast met btw.

Het is onduidelijk hoe de beslissing van het HvJ in deze zaken zich verhoudt met de beslissing inzake de ‘no-show-vergoeding’ in het Société thermale d’Eugénie-les-bains-arrest. In laatstgenoemde zaak werd het behouden van (een deel van de) vooruitbetaalde vergoeding na annulering van de reservering van de hotelkamer gezien als de ontvangst van een schadevergoeding ter zake waarvan geen btw verschuldigd is. Gesteld kan worden dat er een verschil bestaat indien de passagier zijn recht op vervoer niet heeft prijsgegeven, zoals het geval is als hij niet komt opdagen. Echter, indien de passagier zijn recht op vervoer heeft verspeeld door de ticket niet voor de vervaltermijn te gebruiken, is het naar onze mening niet duidelijk waarom ter zake van de verkoop van de ticket wel btw verschuldigd is en bij de annulering van een hotelkamer niet. Zie