6 juni 2016Verhuur voertuigen door recreatiepark belast met 21% btw

De verhuur van voertuigen door een recreatiepark is naar het oordeel van Rechtbank Zeeland-West-Brabant niet aan te merken als met 6% btw belaste toegangverlening tot het recreatiepark.

X B.V. exploiteert een recreatiepark waar bezoekers tegen vergoeding kunnen deelnemen aan activiteiten zoals midgetgolf en jeu de boules. In het recreatiepark zijn allerlei soorten voertuigen te huur: gewone fietsen, tandems, trapkarren, steppen en skelters. De gebruikers van de voertuigen betalen een prijs die afhangt van het soort voertuig en de duur van het gebruik. Zij gebruiken de voertuigen met name buiten het recreatiepark. De verhuur vindt vaak plaats als onderdeel van een arrangement, dat bestaat uit een combinatie van spellen op het recreatiepark, ritten met voertuigen buiten het recreatiepark, activiteiten op een andere locatie en een eventuele combinatie met verstrekking van spijzen en dranken. Er zijn ook arrangementen die bestaan uit een combinatie van spellen op het recreatiepark en verstrekking van spijzen en dranken. X brengt voor de arrangementen één totaalprijs in rekening.
 
De inspecteur van de Belastingdienst en X zijn het erover eens dat het recreatiepark aan te merken is als een ‘voorziening die is ingericht voor vermaak en dagrecreatie’ zoals bedoeld in post b.14, letter g van de bij de Wet OB behorende Tabel I en dat X daarom terecht 6% btw in rekening brengt op de vergoedingen voor de deelname aan de spellen. X heeft de verhuur van de voertuigen belast met 21% btw en bij de arrangementen btw voldaan per onderdeel, waarbij de verhuur van de voertuigen eveneens belast is met 21% btw. X is echter van mening dat de verhuur van voertuigen belast zou moeten zij met 6% btw, omdat de huurprijs kwalificeert als vergoeding voor toegangverlening tot het recreatiepark, en heeft daarom bezwaar aangetekend. De inspecteur heeft dit bezwaar afgewezen, waarna X beroep heeft aangetekend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De rechtbank is van oordeel dat de verhuur van voertuigen niet binnen de gebruikelijke betekenis van het begrip ‘toegang verlenen tot’ valt. Dit volgt ook uit de memorie van toelichting op deze tabelpost. Hierin is opgemerkt dat activiteiten waarvan de (afzonderlijke) vergoeding te kenmerken is als een vergoeding voor de verhuur van roerende zaken, zoals de verhuur van fietsen, kano’s, speelautomaten, karts en dergelijke, buiten de reikwijdte van de tabelpost vallen. Dit geldt zeker in een geval als het onderhavige, waarin de voertuigen (bijna) geheel buiten het recreatiepark gebruikt worden, aldus de rechtbank. X heeft daarom terecht 21% btw in rekening gebracht op de verhuur van de voertuigen. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de gevallen waarin de verhuur van de voertuigen onderdeel uitmaakt van een arrangement. De rechtbank acht namelijk aannemelijk dat de gemiddelde klant het arrangement ziet als een combinatie van verschillende activiteiten en daarbij de verhuur van voertuigen ervaart als een afzonderlijke dienst naast de andere onderdelen. Het beroep van X op beleid dat van toepassing is op het gelegenheid geven tot sportbeoefening en op het neutraliteitsbeginsel slaagt niet. 

De rechtbank verklaart het beroep van X ongegrond. Zie