22 september 2016Verhuur ligplaatsen in jachthaven belast met 21% btw

Het geven van gelegenheid tot sportbeoefening is belast met 6% btw. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft recent geoordeeld dat de passieve terbeschikkingstelling van ligplaatsen in een jachthaven, zonder dat daarbij diensten worden verricht die op de eigenlijke watersport zijn gericht, kwalificeert als de met 21% btw belaste verhuur van parkeerruimte voor voertuigen.

X is exploitant van een jachthaven, waar zowel de leden van X als passanten een ligplaats kunnen huren voor hun zeil- of motorboten. X heeft twee havenmeesters in dienst. De inkomsten van X bestaan onder andere uit liggelden van haar leden en passanten. Tegen de betaling van liggeld kan onder andere gebruik worden gemaakt van een ligplaats, steigers, toiletten, douches, afvaldepots, groenvoorziening, opslaglocaties en diverse onderhouds- en reparatieapparatuur en kan er water worden getankt en elektra worden geladen aan boord, is er EHBO/BHV aanwezig en is sprake van toezicht door de havenmeesters of via camerabewaking. X organiseert ook zeillessen en –wedstrijden tegen een afzonderlijke – niet in het liggeld inbegrepen – vergoeding.

X is van mening dat zij met het ter beschikking stellen van een ligplaats het recht verleent om gebruik te maken van een sportaccommodatie, een prestatie die belast is met 6% btw. De inspecteur van de Belastingdienst is echter van mening dat de jachthaven niet aan te merken is als sportaccommodatie en de diensten van X niet zien op sportbeoefening, zodat de terbeschikkingstelling van de ligplaatsen moet worden aangemerkt als de met 21% btw belaste terbeschikkingstelling van parkeerruimte voor voertuigen.

In eerste aanleg heeft Rechtbank Noord-Nederland in deze zaak geoordeeld dat de jachthaven op zichzelf zou kunnen worden aangemerkt als een sportaccommodatie, omdat deze gebruikt kan worden voor het verblijf van deelnemers met het oog op het zich gereed maken voor de beoefening of beëindiging van watersport, maar dat X in de jachthaven echter geen gelegenheid tot sportbeoefening aanbiedt. In hoger beroep bevestigt Hof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van de rechtbank. Het hof verwijst naar het arrest Fondsen Marselisborg Lystbådehavn (FML), waarin het HvJ oordeelde dat de verhuur van ligplaatsen in een jachthaven moet worden gekwalificeerd als de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen. Deze handeling is expliciet uitgezonderd van de vrijstelling voor de verhuur van onroerende zaken. Een beroep van X op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar de toelichting op Tabel I waarin het begrip ‘sportaccommodatie’ omschreven is, faalt. Volgens het hof heeft X niet aannemelijk gemaakt dat sprake van gelijke gevallen en de jachthaven derhalve kwalificeert als sportaccommodatie. Kortom, de diensten van X houden niet meer in dan de passieve terbeschikkingstelling van ligplaatsen in een jachthaven, een prestatie die belast is met 21% btw.

Het oordeel van het hof is naar onze mening in lijn met een arrest van de Hoge Raad uit 2011 (HR 2 december 2011, nr. 10/02778) waarin geoordeeld is dat zeillessen vanuit een gereserveerde walaccommodatie met jachthaven en gemarkeerd vaarwater belast is met 6% btw en waaruit geconcludeerd kan worden dat een jachthaven kan kwalificeren als sportaccommodatie. In casu ontbreken echter de op watersport gerichte diensten, waardoor het 6%-tarief alsnog niet van toepassing is. De verhuur van ligplaatsen is conform het FML-arrest van het HvJ belast met 21% btw en dat dit ook geldt indien de verhuur een meer actief karakter heeft. Het onderscheid tussen de (meer) actieve en (meer) passieve terbeschikkingstelling van een onroerend goed is gelegen in het onderscheid tussen de btw-vrijgestelde en de btw-belaste terbeschikkingstelling van een onroerend goed en niet, zoals de rechtbank oordeelt, in het onderscheid wel verhuur – geen verhuur. Zie