18 oktober 2018Verhuur aan dezelfde telers voor en na de overdracht machines volstaat niet voor overgang onderneming

Feiten

Een coöperatie, een telersvereniging, heeft machines en installaties tegen vergoeding ter beschikking gesteld aan haar leden voor de duur van vijf jaar. Deze machines zijn door de coöperatie aangeschaft, zodat collectief subsidie kon worden verkregen. Voor de aanschaf van die machines en installaties hebben de leden aan de coöperatie leningen verstrekt. De gebruiksvergoeding werd zoveel mogelijk voldaan door inhouding op de door het desbetreffende lid bij een of meer (middellijke) dochtervennootschappen van de coöperatie gegenereerde verkoopomzet. Het Productschap Tuinbouw heeft vervolgens de erkenning ingetrokken, waardoor de coöperatie geen subsidies meer kon ontvangen.

De coöperatie heeft daarom vervolgens de machines en installaties verkocht aan individuele leden en aan onder meer een BV die tuinbouwcomplexen aan- en verkoopt. De machines en installaties die de coöperatie aan de BV heeft verkocht, zijn voorheen door de coöperatie tegen vergoeding ter beschikking gesteld aan vier individuele leden (hierna: telers). De BV heeft met ieder van dezelfde vier telers een overeenkomst gesloten van ‘geldlening/akte van verpanding/huurovereenkomst/koopoptie/terugkoopverplichting voor de duur van één jaar. Deze overeenkomst wordt in beginsel jaarlijks verlengd. De machines zijn voor, tijdens en na de overdracht onafgebroken bij de telers in gebruik geweest.

Procedure

De BV heeft verzocht om teruggaaf van de btw die haar door de coöperatie in rekening is gebracht. De inspecteur heeft de teruggaaf geweigerd, omdat volgens de inspecteur sprake was van de overdracht van een onderneming (art. 37d), zodat de coöperatie ten onrechte btw in rekening heeft gebracht. De Rechtbank stelt de BV in het gelijk. Hof Den Haag heeft, anders dan de Rechtbank geoordeeld dat de overdracht van de machines door de coöperatie de overgang van een gedeelte van een algemeenheid van goederen in de zin van art. 37d Wet B vormt en dat de coöperatie daarom ten onrechte btw aan de BV in rekening heeft gebracht.

Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat de enkele overdracht van machines en installaties als zodanig niet de overgang van een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormt waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend. Het hof diende daarom te beoordelen of, gelet op de context van de verhuur van de machines, de overdracht ervan de conclusie rechtvaardigt dat de coöperatie een gedeelte van haar autonome economische activiteit heeft overgedragen waarvan de voortzetting door de BV was voorgenomen. Door te volstaan met het oordeel dat de machines zowel vóór als na de overdracht, dus zowel bij de coöperatie als bij de BV, blijvend voorwerp zijn van een als autonoom gedeelte van een onderneming aan te merken exploitatie in de vorm van verhuur aan de telers, getuige het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft bij zijn beoordeling immers niet tot uitgangspunt genomen dat de aard van de door de coöperatie uitgeoefende verhuur aan de telers ongewijzigd moet zijn gebleven.

Nu uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat de aard van de door de coöperatie uitgeoefende verhuur aan de telers en de aard van de verhuur door de BV afwijken, is de overdracht van de machines niet als een overgang van een algemeenheid van goederen en diensten te beschouwen. De Rechtbank heeft namelijk vastgesteld dat de BV met ieder van de telers een eigen overeenkomst heeft gesloten die op verschillende punten afwijkt van de door de coöperatie met de leden gesloten overeenkomsten en dat de BV niet dezelfde positie jegens de telers heeft verkregen als de coöperatie. Tegen deze vaststellingen van de Rechtbank heeft de inspecteur in hoger beroep geen bezwaren ingebracht. De coöperatie heeft terecht btw in rekening gebracht aan de BV en de BV heeft, gelet op het gebruik van de machines, recht op aftrek van de btw.

Bij de uitleg van art. 37d Wet OB gaat de Hoge Raad uit van een objectbenadering. Deze benadering houdt in dat getoetst wordt of een onderneming is overgegaan. De objectbenadering volgt naar onze mening uit art. 19 btw-richtlijn en het Zita Modes-arrest van het HvJ. Op basis van laatstgenoemd arrest hoeft niet precies dezelfde economische activiteit te worden voortgezet, zolang maar een bundel aan zaken wordt overgedragen waarmee een autonome economische activiteit kan worden voortgezet (de algemeenheid van goederen). In deze casus gaan enkel machines en installaties over, waardoor de coöperatie geen bundeling van zaken overdraagt waarmee de BV een autonome activiteit kan voortzetten. De overdracht van machines en installaties is niet voldoende voor de toepassing van art. 37d Wet OB.

Deze casus geeft ons inziens nog meer handvatten wanneer nu sprake is van de overdracht van een onderneming. Wanneer de overeenkomst wordt ontbonden en er wordt een nieuwe overeenkomst aangegaan die enkel een juridische wijziging inhoudt (alleen een wijziging op papier) terwijl de aard van de overeenkomst/de economische realiteit hetzelfde is gebleven, is art. 37d ons inziens van toepassing. Wanneer de economische realiteit gewijzigd is, zoals in deze casus het geval is, is bij de enkele overdracht van machines en installaties art. 37d ons inziens niet van toepassing en is sprake van een belaste overgang. In deze casus week de nieuwe overeenkomst op verschillende punten af van de oude overeenkomst, onder andere de positie van BV jegens de telers en de duur van de overeenkomst. Zie 11.5 voor meer informatie over de overgang van een algemeenheid van goederen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op