19 oktober 2017Vergrijpboete dga voor niet tijdig indienen suppletieaangiften btw door BV

Rechtbank Den Haag oordeelt dat terecht een boete aan de dga is opgelegd, omdat de dga feitelijk leiding heeft gegeven aan het niet indienen van suppletieaangiften door de BV.

Feiten
De enig aandeelhouder en bestuurder van een BV (hierna: de dga) verzorgde voor de BV de dagelijkse administratie en aangiften btw. De inspecteur heeft op 10 april 2015 een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de btw-aangiften van de BV over 2012. Op 29 april 2015 heeft de dga namens de BV suppletieaangiften btw voor de jaren 2010 tot en met 2012 ingediend. De inspecteur heeft op grond van art. 10a AWR en art. 15 Uitv. Besl. OB een vergrijpboete van € 5000 aan de BV opgelegd. De inspecteur heeft daarnaast aan de dga een boete van € 5000 opgelegd, omdat hij als feitelijk leidinggever van de BV niet uit eigener beweging, op het moment van constateren dat er nog suppletieaangiften btw ingediend hadden moeten worden, zo spoedig mogelijk suppletieaangiften btw ten name van de BV heeft ingediend of laten indienen. Hiermee is volgens de inspecteur opzettelijk in strijd gehandeld met art. 10a AWR en art. 15 Uitv.Besl. OB. Deze boete heeft betrekking op 2011 en 2012; voor 2010 kon de inspecteur geen boete meer opleggen. De dga gaat in beroep tegen deze boete.

Rechtbank
Rechtbank Den Haag volgt deels het standpunt van de inspecteur en oordeelt dat terecht een boete aan de dga is opgelegd, omdat de dga feitelijk leiding heeft gegeven aan het niet indienen van suppletieaangiften. De dga heeft geen suppletieaangifte gedaan, terwijl zij wist dat de BV te weinig btw had voldaan. Daarmee heeft zij niet alleen de aanmerkelijke kans aanvaard dat de BV niet voldeed aan haar suppletieverplichting, maar dit ook feitelijk veroorzaakt.

De rechtbank is het niet eens met de hoogte van de oplegde boete door de inspecteur. De rechtbank stelt vast dat de boete die aan de BV was opgelegd ook betrekking had op 2010 waarin het verschil tussen de verschuldigde btw en de te weinig betaalde btw aanzienlijk groter was dan in 2011 en 2012. Gezien de beperkte omvang van de BV en de verantwoordelijkheid van de dga voor de voldoening van de schulden van de BV komt de betaling van de verschuldigde boetes in dit geval materieel ten laste van de dga. Ook heeft de dga inmiddels al een groot deel van de door de BV verschuldigde btw betaald uit eigen middelen. De inspecteur heeft hiermee volgens de rechtbank onvoldoende rekening gehouden. De rechtbank stelt dat alle omstandigheden in aanmerking nemend een boete van € 1.000 passend en geboden is en verklaart het beroep van de dga gegrond.

 In deze zaak is een vergrijpboete opgelegd aan de dga als feitelijk leidinggever van de B.V. voor het opzettelijk niet indienen van suppletieaangiften. Ook aan de B.V. is een vergrijpboete opgelegd voor het niet indienen van suppletieaangiften. Voor de dga zal dit – hoezeer dit juridisch ook anders ligt – voelen als een dubbele bestraffing. De vraag is waarom de inspecteur ervoor gekozen heeft om niet alleen de BV, maar ook de dga te beboeten. Uit de in paragraaf 2 van het BBBB beschreven procedure wordt wel afgeleid dat het opleggen van een boete aan een ander dan de belastingplichtige, zoals defeitelijk leidinggever, alleen in uitzonderlijke gevallen aan de orde is. Na deze uitspraak is het de vraag of dit nog volgehouden kan worden. De uitspraak van de rechtbank maakt niet duidelijk dat in deze zaak sprake is van een uitzonderlijke situatie. De uitspraak is een signaal aan dga’s dat zij niet lichtvaardig om moeten gaan met vastgestelde onjuistheden in de ingediende btw-aangiften van ‘hun’ BV. Indien, zoals in deze zaak, een btw-schuld op de balans van de B.V. staat, kan een dga niet stil blijven zitten, maar moet hij actie (laten) ondernemen! Het tweede punt dat wij willen aanstippen is de boete over het jaar 2011. Naar onze mening is deze onterecht opgelegd. Vóór 2012 kon het niet (tijdig) indienen van een suppletieaangifte een rol spelen bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen boete, maar kon dit geen zelfstandige aanleiding zijn voor het opleggen van een vergrijpboete. Vanaf 1 januari 2012 is een btw-ondernemer wettelijk verplicht om een suppletieaangifte in te dienen als hij constateert dat hij een aangifte over een tijdvak in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of onvolledig heeft gedaan waardoor te veel of te weinig btw is voldaan. Laat hij dit na dan riskeert hij een vergrijpboete. De in art. 15, lid 1 Uitv. Besl. OB genoemde vijfjaarstermijn betekent feitelijk dat ook een suppletieplicht bestaat voor aangiftetijdvakken vóór 2012. Naar onze mening is deze terugwerkende kracht een schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Daarnaast is het gebruik van terugwerkende kracht bij het opleggen van boeten verboden op grond van art. 49 lid 1 Handvestvan de grondrechten van de EU. Voor de praktijk zou het wenselijk zijn indien dit punt tot en met de Hoge Raad wordt uitgeprocedeerd, zodat hierover duidelijkheid komt.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op