11 augustus 2017Verdedigingsbeginsel en betrachte zorgvuldigheid staan aan naheffing wegens btw-fraude in de weg

Rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat de inspecteur met het niet tijdig overleggen van alle relevante stukken het verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De naheffingsaanslag van ruim € 30 miljoen en de vergrijpboete van ruim € 15 miljoen worden vernietigd.

De feiten in deze zaak zijn als volgt. Een BV exploiteert een groothandel in computers, randapparatuur en software. Zij verkoopt deze goederen aan binnenlandse afnemers (binnenlandse leveringen), aan afnemers in de EU (intracommunautaire leveringen) en aan afnemers buiten de EU (uitvoer). De inkopen van de BV bestaan vooral uit intracommunautaire verwervingen en invoer. In de periode 2005 t/m 2010 heeft de Belastingdienst internationale verzoeken om inlichtingen ontvangen (hierna: SCAC verzoeken) die betrekking hebben op de intracommunautaire leveringen van de BV. Als gevolg hiervan wordt in april 2010 een boekenonderzoek gestart, die ruim twee jaar later is afgerond. De conclusie van het boekenonderzoeksrapport in 2012 luidt dat de BV geen recht heeft op aftrek van de btw ter zake van inkopen voorafgaand aan de intracommunautaire leveringen aan de 59 ‘missing traders’. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op van ruim € 33 miljoen en een vergrijpboete van ruim € 16 miljoen. Na het gemaakte bezwaar van de BV heeft de inspecteur de correcties voor 5 Nederlandse afnemers teruggenomen waardoor de naheffingsaanslag is verminderd tot ruim € 30 miljoen en de boete tot ruim € 15 miljoen. In geschil bij de Rechtbank is of de naheffingsaanslag en de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

 

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het verdedigingsbeginsel van de BV is geschonden, omdat aan het ‘andere-afloop-criterium’ wordt voldaan. De BV had namelijk niet de beschikking over alle stukken die ten grondslag lagen aan het voornemen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking op te leggen. Daardoor was zij niet in staat op detailniveau de voorgenomen correcties en boete te bestrijden. De inspecteur is niet geslaagd in het aannemelijk maken dat sprake was van een rechtvaardigingsgrond voor de beperking van het verdedigingsbeginsel. Schending van het verdedigingsbeginsel bij de totstandkoming van een bezwarend besluit leidt tot nietigverklaring van het genomen besluit, wanneer deze procedure zonder de onregelmatigheden een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Daarbij is het voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden de BV een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de naheffingsaanslag en de boete van belang was. Als het verdedigingsbeginsel niet was geschonden, dan was de naheffingsaanslag en de boetebeschikking op inhoudelijke gronden eerder vernietigd. Vervolgens behandelt de rechtbank ten overvloede het inhoudelijke geschil of sprake is van btw-fraude en of de BV de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht om niet deel te nemen aan de btw-fraude. Op de inspecteur rust de bewijslast dat het recht op btw-aftrek dient te worden geweigerd. De inspecteur heeft met de ingebrachte stukken aannemelijk gemaakt dat voor het merendeel van de buitenlandse afnemers sprake is van btw-fraude in de keten, omdat deze afnemers veelal geen btw-aangifte hebben gedaan, niet traceerbaar zijn en niet alle verschuldigde btw hebben afgedragen. De SCAC-informatie onderbouwt het standpunt van de inspecteur. Echter, de inspecteur is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de BV had moeten weten dat zij wist of had moeten weten van btw-fraude in de keten. De BV heeft namelijk een interne procedure ontwikkeld ter voorkoming van het betrokken raken bij btw-carrouselfraude die inhield dat de BV allerlei officiële stukken van de afnemer opvroeg, verifieert en weigert zaken te doen met afnemers waarvan niet alle benodigde informatie werden verstrekt. In het tijdvak waarop de naheffingsaanslag ziet heeft deze procedure ertoe geleid dat in ieder geval vijftig potentiële afnemers niet zijn geaccepteerd. Daarnaast volgt uit verschillende e-mailcorrespondentie dat de directeur van de BV niet betrokken wil zijn bij btw-fraude doordat aangegeven werd dat ze volgens de regels willen werken en dat zij geen problemen willen wekken. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de naheffingsaanslag en de boetebeschikking.

Het verdedigingsbeginsel is een unierechtelijk beginsel dat inhoudt dat lidstaten de rechten van verdediging moeten eerbiedigen wanneer bezwarende besluiten worden genomen die binnen het toepassingsbereik van het Unierecht vallen. Omdat de Wet OB uitvoering geeft aan de btw-richtlijn, is het verdedigingsbeginsel van toepassing wanneer een btw-naheffingsaanslag wordt opgelegd. Het verdedigingsbeginsel geldt ook wanneer naderhand door de rechter wordt vastgesteld dat een btw-ondernemer betrokken is bij btw-fraude. Op grond van het verdedigingsbeginsel heeft een btw-ondernemer in het bijzonder het recht te worden gehoord voordat een naheffingsaanslag wordt opgelegd. In deze zaak is de groothandel wel in de gelegenheid gesteld om voor het opleggen van de naheffingsaanslag zijn zienswijze kenbaar te maken, maar is aan hem niet het volledige dossier verstrekt en is hem ook geen inzage verleend in het volledige dossier. Omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze schending gerechtvaardigd was, leidt deze schending tot vernietiging tot de naheffingsaanslag en de opgelegde boete. Voor de btw-ondernemer zal dit een grote opluchting zijn, omdat de naheffingstermijn voor de jaren 2007 tot en met 2010 inmiddels verstreken is. De inspecteur heeft dus niet meer de mogelijkheid over deze periode nogmaals een naheffingsaanslag op te leggen met inachtneming van de ‘spelregels’. Overigens is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag en de boete ook zonder schending van het verdedigingsbeginsel moeten worden vernietigd. De inspecteur heeft weliswaar aannemelijk gemaakt dat sprake is van btw-fraude in de keten, maar is er niet in geslaagd te bewijzen dat de groothandel wist of had moeten weten dat zij deelnam aan btw-fraude. Uit o.a. het Euro Tyre BV – Surcusal em Portugal-arrest van het HvJ volgt dat het niet in strijd is met het unierecht van een marktdeelnemer te eisen dat hij te goeder trouw handelt en alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht niet betrokken raakt bij btw-fraude. Handelaren die alles doen wat redelijkerwijs van hen kan worden verlangd om ervoor te zorgen dat hun transacties geen onderdeel vormen van een fraudeketen, moeten kunnen vertrouwen op de rechtsgeldigheid van deze transacties, zonder dat zij het risico lopen dat zij het recht op aftrek verliezen (zie Axel Kittel en Recolta Recycling BVBA-arrest van het HvJ). Door de interne procedure die gericht is op het voorkomen van btw-fraude en de bewijzen over het functioneren daarvan, is de rechtbank van oordeel dat de groothandel de noodzakelijke zorgvuldigheid heeft betracht om deelname aan btw-fraude te voorkomen. Voor de praktijk laat deze uitspraak zien hoe belangrijk het is om – zeker in een fraudegevoelige sector – een (aantoonbaar functionerende) interne procedure te hebben die gericht is op het voorkomen van deelname aan btw-fraude. Dat kan omzet kosten, zoals de weigering van 50 potentiële klanten in deze zaak laat zien, maar kan ook forse naheffingen van btw met de bijbehorende vergrijpboeten – in deze zaak in totaal meer dan € 45 miljoen! – voorkomen. Zie 12 voor meer informatie inzake btw-fraude.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op