4 april 2014Uitspraken proefprocedures btw-correctie privégebruik auto

De vier uitspraken van Rechtbank Gelderland hebben betrekking op het privégebruik van de auto door personeel in het jaar 2011. In dit jaar is de BUA-correctie voor het privégebruik van de auto door het personeel per 1 juli vervallen en is vanaf die datum een heffing over het privégebruik verschuldigd. In dit nieuwsbericht wordt daarom een onderscheid gemaakt tussen de correctie voor het privégebruik van 1 januari 2011 tot 1 juli 2011 en van 1 juli 2011 tot 1 januari 2012. Vooraf zij opgemerkt dat in geen van de procedures voor 2011 een sluitende kilometeradministratie aanwezig is.

Btw-aftrekcorrectie privégebruik auto personeel tot 1 juli 2011

In de vier procedures zijn met betrekking tot de btw-correctie voor het privégebruik van de auto in het eerste halfjaar de volgende geschilpunten aan de orde:

1. Kan in het laatste tijdvak van 2011 een btw-correctie voor het privégebruik verschuldigd zijn als op dat moment die correctie niet meer bestaat?
2. Is de btw-correctie voor het privégebruik van de auto door het personeel beperkt tot de btw uit de eigen bijdrage?

De rechtbank beantwoordt de eerste vraag bevestigend. Volgens het BUA vindt de aftrekcorrectie voor het privégebruik van de auto plaats in het tijdvak waarin de btw in rekening is gebracht. Dit is slechts anders als op dat moment de € 227-drempel nog niet overschreden is, maar die situatie doet zich in de proefprocedure niet voor. De staatssecretaris keurde echter goed dat een werkgever gedurende het jaar alle btw op de autokosten volledig in aftrek bracht en -net als een eenmansondernemer- in het laatste tijdvak van het jaar een btw-correctie van 12% x IB-/LB-bijtelling voldeed. Door de btw volledig in aftrek te brengen heeft de werkgever te kennen gegeven dat hij die regeling wil toepassen. Dit brengt mee dat in het laatste tijdvak van 2011 een btw-correctie voor het privégebruik over het eerste halfjaar van 2011 verschuldigd is.

Het antwoord op de tweede vraag luidt ontkennend. De aftrekbeperking voor het privégebruik waarbij de btw uit de eigen bijdrage in mindering wordt gebracht kan volgens de rechtbank door de beugel. Deze aftrekbeperking is, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld, niet in strijd met de Zesde Richtlijn. Voor zover de werkgever stelt dat hij door de forfaitaire btw-correctie van 12% x IB/LB-bijtelling te veel btw heeft voldaan is die stelling -aldus de rechtbank- niet aan de hand van de gedane uitgaven bewezen. Hoewel een sluitende kilometeradministratie volgens de rechtbank niet nodig is, is de overgelegde raming van het privégebruik aan de hand van de in de jaarrekening verwerkte brandstofkosten, de gemiddelde brandstofprijs en een gemiddeld brandstofverbruik onvoldoende.

Btw-heffing privégebruik auto personeel sinds 1 juli 2011

Met betrekking tot de btw-heffing over het privégebruik van de auto in het tweede halfjaar zijn aan de rechtbank de volgende geschilpunten voorgelegd:

1. Is de btw-heffing over het privégebruik over het tweede halfjaar beperkt tot de btw die drukt op het door de werkgever geraamde privégebruik?
2. Moet bij de forfaitaire correctie van 2,7% x catalogusprijs de BPM buiten de grondslag blijven, en zo nee, moet de btw-correctie voor een tweedehandse btw-auto op 1,5% in plaats van 2,7% x catalogusprijs gesteld worden?
3. Is btw-heffing over de normale waarde van het privégebruik van de auto ten aanzien van auto’s waarvoor een eigen bijdrage is betaald in strijd met het unierecht dan wel het art. 1 Eerste Protocol EVRM?
4. Is ten aanzien van auto’s waarvoor geen eigen bijdrage is betaald slechts 3/184 x 2,7% x catalogusprijs verschuldigd, omdat de Wet uitwerking autobrief pas op 29 december 2011 in de Staatscourant is geplaatst?
5. Is ter zake van het privégebruik van een leaseauto geen btw verschuldigd, omdat geen sprake is van het privégebruik van een investeringsgoed dan wel een ingekochte dienst als bedoeld in art. 4, lid 2 Wet OB? 

De eerste vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Bij het toepassen van de goedkeuring om het privégebruik te corrigeren met een bedrag van (in 2011) 6/12 x 2,7% x catalogusprijs dient de werkgever te bewijzen dat deze forfaitaire regeling te hoog is. Hierbij kan hij niet volstaan met een raming van het privégebruik aan de hand van de in de jaarrekening verwerkte brandstofkosten, de gemiddelde brandstofprijs en een gemiddeld brandstofverbruik.

Met betrekking tot de tweede vraag overweegt de rechtbank dat de werkgever zelf in eerste instantie 6/12 x 2,7% x catalogusprijs heeft voldaan. Nu de werkgever in eerste instantie van die goedkeuring gebruik heeft gemaakt en de inspecteur op basis van de door de werkgever verstrekte gegevens alsnog een gedeeltelijke btw-teruggaaf heeft verleend zodat alleen de autokosten waarop btw drukt in de btw-heffing zijn betrokken (lees: geen btw over BPM-component), dient de werkgever te bewijzen dat de heffing over het privégebruik te hoog is. Naar het oordeel van de rechtbank is de werkgever hierin niet geslaagd. 

Ten aanzien van de derde vraag oordeelt de rechtbank dat btw-heffing over de normale waarde niet in strijd is met het unierecht, omdat de wetgever deze maatregel mocht treffen om misbruik te voorkomen en het risico op misbruik (lees: slechts 21% btw verschuldigd uit eigen bijdrage wegens privégebruik) aanwezig is. Omdat de normale waarde gemaximeerd wordt op het bedrag dat de werknemer op de markt zou moeten betalen (art. 2a, lid 1, onderdeel s Wet OB) is geen sprake van een disproportionele maatregel. Het is voorts niet nodig dat het BTW-Comité vooraf van deze maatregel in kennis is gesteld; het in kennis stellen van de genomen maatregelen volstaat. Van strijd met het EVRM is evenmin sprake, omdat van een individuele en excessieve last niet kan worden gesproken. Nu de betreffende werkgever 2,7% x catalogusprijs als correctie voor het privégebruik heeft voldaan moet hij aannemelijk maken dat dit btw-bedrag te hoog was. De enkele stelling dat de hoogte van de eigen bijdrage in bedrijfseconomisch opzicht gewenst en verantwoord was is daartoe onvoldoende. 

De rechtbank oordeelt ten aanzien van de vierde vraag dat geen sprake is van terugwerkende kracht, aangezien art. 4, lid 2 Wet OB (heffing over het privégebruik) sinds 2007 gold, maar tot 1 juli 2011 op grond van art. 16a Wet OB niet van toepassing was wegens de BUA-aftrekuitsluiting voor het privégebruik van de auto door het personeel.

De vijfde en laatste vraag betreft het privégebruik van leaseauto’s. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat bij het privégebruik van leaseauto’s -het betreft kennelijk operational lease- sprake is van het privégebruik van een zakelijk geëtiketteerd investeringsgoed ex art. 4, lid 2, onderdeel a Wet OB. Ook kan volgens de rechtbank niet gezegd worden dat sprake is van het privégebruik van een dienst als bedoeld in art. 4, lid 2, onderdeel b Wet OB. Doorslaggevend voor dit laatste oordeel acht de rechtbank dat deze bepaling volgens het Renate Enkler-arrest van het HvJ ziet op het voorkomen dat via de zaak aangeschafte goederen btw-vrij aan de zaak onttrokken worden voor privédoeleinden. Niettemin heeft een ondernemer geen recht op aftrek voor zover hij de goederen privé gebruikt. Dientengevolge dient de btw-aftrek ter zake van de leasediensten derhalve te worden beperkt op grond van art. 15, lid 1 Wet OB, aldus de rechtbank. 

Commentaar

Na de invoering van de nieuwe regels voor het privégebruik met terugwerkende kracht tot 1 juli 2011 bestonden veel vragen over de juridische haken en ogen. Dit was mede te wijten aan de haast waarmee de staatssecretaris een nieuwe regeling voor de btw-correctie voor het privégebruik wilde invoeren om een potentieel btw-lek van een half miljard te voorkomen. Niettemin heeft de Belastingdienst na 1 juli 2011 in het beleid reeds een aantal plooien gladgestreken. Een voorbeeld hiervan is dat aanvankelijk niet was voorzien in een 1,5%-forfait na het verstrijken van de herzieningstermijn (het jaar van ingebruikneming plus de daaropvolgende 4 jaren). Een ander voorbeeld is dat lange tijd onduidelijkheid bestond over de vraag of de BPM bij de ‘gewone’ heffing over het werkelijke privégebruik tot de aanschafkosten gerekend moest worden. Inmiddels heeft de Belastingdienst kenbaar gemaakt dat dit niet het geval is, omdat bij de aanschaf van de auto over de BPM ook geen btw in rekening is gebracht. Ten slotte kan worden gewezen of de correctie op grond van een geschat privégebruik voor o.a. oldtimers. Door het wegnemen van een aantal scherpe randjes aan het beleid werd het aantal relevante vraagpunten dat resteerde allengs minder. 

Wat ons betreft zijn er ten aanzien van de heffing over het privégebruik van de auto vier relevante vraagpunten. Het eerste punt is of de invoering van de normale waarde-bepaling bij privégebruik van een auto waarvoor het personeel een eigen bijdrage betaalt met terugwerkende kracht tot 1 juli 2011 ingevoerd mocht worden en het tweede punt is of deze bepaling ook van toepassing is in situaties waarbij van misbruik geen enkele sprake is (lees: er is sprake van een reële bijdrage). Het eerste punt wordt helaas niet expliciet aan de orde gesteld waardoor het aanbeveling verdient om die vraag in hoger beroep alsnog op te werpen.
Het tweede vraagpunt beantwoordt de rechtbank bevestigend. De rechtbank oordeelt onzes inziens wel erg gemakkelijk dat een algemene ‘normale waarde-bepaling’ in het kader van het voorkomen van misbruik mag. Is het enkele feit dat een lage eigen bijdrage zou kunnen worden gevraagd voldoende bewijs dat deze maatregel in het algemeen misbruik te voorkomt? Hier had de rechtbank naar onze mening wel wat meer bewijs van de inspecteur mogen verlangen of duidelijker moeten motiveren welk bewijs van de inspecteur de rechtbank overtuigd heeft. Ook het feit dat de normale waarde gemaximeerd is op de vergoeding die de werknemer op de markt zou moeten betalen is onzes inziens geen garantie voor een proportionele maatregel, zoals de rechtbank aanneemt. Want bestaat er überhaupt een markt voor het privégebruik van zakelijke auto’s? Op dit punt zou Hof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep wat ons betreft wel wat kritischer mogen zijn. 

Het derde punt betreft het bewijs van het werkelijke privégebruik indien geen sluitende kilometeradministratie voorhanden is. Ten aanzien van het aannemelijk maken van een lager werkelijk gebruik vragen wij ons af waarom in deze proefprocedure (alleen) gekozen is voor een raming van het privégebruik, aan de hand van de brandstofkosten in de jaarrekening, de gemiddelde brandstofprijs en een gemiddeld brandstofverbruik. Er had immers ook gekozen kunnen worden voor het inbrengen van statistische gegevens, zoals de gegevens in het VNA-rapport ‘Zicht op de Zakenrijder’. In het verleden zijn statistische gegevens van het CBS door de Hoge Raad gehonoreerd als voldoende bewijs waardoor die inbreng kans van slagen heeft. In hoger beroep verdient het naar onze mening aanbeveling om die gegevens alsnog in te brengen.


Ons vierde en laatste punt betreft de vraag hoe omgegaan wordt met het privégebruik van ingekochte leasediensten. Dat de rechtbank oordeelt dat art. 4, lid 2, onderdeel a Wet OB niet van toepassing is, achten wij logisch aangezien bij afname leasediensten geen sprake is van een aangeschaft investeringsgoed. De motivering van het oordeel dat at. 4, lid 2, onderdeel b Wet OB niet van toepassing is overtuigt echter allerminst. Het is naar onze mening onbegrijpelijk dat de rechtbank het Renate Enkler-arrest, dat betrekking heeft op art. 4, lid 2, onderdeel a Wet OB, van stal haalt om een beslissing te nemen over art. 4, lid 2, onderdeel b Wet OB. Dat de rechtbank art. 15, lid 1 Wet OB van toepassing acht, achten wij onbegrijpelijk. Dit is onzes inziens in tegenspraak met het Eon Asset Menidjmunt-arrest van het HvJ en roept de vraag op waarom tot 1 juli 2011 dan een aftrekuitsluiting op grond van art. 16 Wet OB nodig was als de btw op grond van art. 15, lid 1 Wet OB reeds niet aftrekbaar was. Het punt dat de staatssecretaris als uitvoerende macht een ‘switch’ heeft gemaakt ten opzichte van de parlementaire geschiedenis (zie ons memo over het privégebruik van de auto) komt in de proefprocedure helaas niet aan bod. Wellicht dat dit in hoger beroep alsnog aan bod komt.

 Let op! Naar aanleiding van deze uitspraken zal het btw-handboek en het memo privégebruik auto z.s.m. geactualiseerd worden. Wilt u advies over de btw-correctie voor het privégebruik van de auto, neem dan contact op met onze btw-specialisten.: 088 – 298 98 98 of info@btwplaza.nl

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op