17 april 2015Uitspraken proefprocedures btw-correctie privégebruik auto

Er zijn vier  uitspraken van Hof Arnhem-Leeuwarden gepubliceerd die betrekking hebben op het privégebruik van de auto door personeel in het jaar 2011. In dit jaar is de BUA-correctie voor het privégebruik van de auto door het personeel per 1 juli vervallen en is vanaf die datum een heffing over het privégebruik verschuldigd. In dit nieuwsbericht wordt daarom een onderscheid gemaakt tussen de correctie voor het privégebruik van 1 januari 2011 tot 1 juli 2011 en van 1 juli 2011 tot 1 januari 2012. Vooraf zij opgemerkt dat in geen van de procedures voor 2011 een sluitende kilometeradministratie aanwezig is.

 

Btw-aftrekcorrectie privégebruik auto personeel tot 1 juli 2011

In de vier procedures zijn met betrekking tot de btw-correctie voor het privégebruik van de auto in het eerste halfjaar de volgende geschilpunten aan de orde:

  1. 1. Kan in het laatste tijdvak van 2011 een btw-correctie voor het privégebruik verschuldigd zijn als op dat moment die correctie niet meer bestaat?
  2. 2. Is de btw-correctie voor het privégebruik van de auto door het personeel beperkt tot de btw uit de eigen bijdrage?

Het hof beantwoordt de eerste vraag net als Rechtbank Gelderland bevestigend. Volgens het BUA vindt de aftrekcorrectie voor het privégebruik van de auto plaats in het tijdvak waarin de btw in rekening is gebracht. De staatssecretaris keurde echter goed dat een werkgever gedurende het jaar alle btw op de autokosten volledig in aftrek bracht en -net als een eenmansondernemer- in het laatste tijdvak van het jaar een btw-correctie van 12% x IB-/LB-bijtelling voldeed. Het gebruikmaken van deze regeling brengt met zich dat in het laatste tijdvak van 2011 een btw-correctie voor het privégebruik over het eerste halfjaar van 2011 verschuldigd is.

Het antwoord op de tweede vraag luidt ontkennend. De aftrekbeperking in het BUA voor het privégebruik waarbij de btw uit de eigen bijdrage in mindering wordt gebracht is volgens het hof niet in strijd met de Zesde Richtlijn. Voor zover de werkgever stelt dat hij door de forfaitaire btw-correctie van 12% x IB/LB-bijtelling te veel btw heeft voldaan is die stelling -aldus het hof- niet aan de hand van de concrete gegevens over de gedane uitgaven bewezen. Statistische gegevens over het (privé)gebruik van de auto zijn volgens het hof onvoldoende.

 

Btw-heffing privégebruik auto personeel sinds 1 juli 2011

Met betrekking tot de btw-heffing over het privégebruik van de auto in het tweede halfjaar zijn aan het hof de volgende geschilpunten voorgelegd:

  1. 1. Is de btw-heffing over het privégebruik over het tweede halfjaar beperkt tot de btw die drukt op het door de werkgever geraamde privégebruik?
  2. 2. Moet bij de forfaitaire correctie van 2,7% x catalogusprijs de BPM buiten de grondslag blijven, en zo nee, moet de btw-correctie voor een tweedehandse btw-auto op 1,5% in plaats van 2,7% x catalogusprijs gesteld worden?
  3. 3. Is btw-heffing over de normale waarde van het privégebruik van de auto ten aanzien van auto’s waarvoor een eigen bijdrage is betaald in strijd met het unierecht, de grondwet dan wel het art. 1 Eerste Protocol EVRM?
  4. 4. Is ten aanzien van auto’s waarvoor geen eigen bijdrage is betaald slechts 3/184 x 2,7% x catalogusprijs verschuldigd, omdat de Wet uitwerking autobrief pas op 29 december 2011 in de Staatscourant is geplaatst?
  5. 5. Brengt het fiscale neutraliteitsbeginsel met zich dat ter zake van het privégebruik van een aan de werkgever geleverde auto geen btw verschuldigd is, omdat het privégebruik van een ingekochte operational leasediensten niet leidt tot een heffing over het privégebruik ex art. 4, lid 2, onderdeel Wet OB?

De eerste vraag beantwoordt het hof ontkennend. Bij het toepassen van de goedkeuring om het privégebruik te corrigeren met een bedrag van (in 2011) 6/12 x 2,7% x catalogusprijs dient de werkgever te bewijzen dat deze forfaitaire regeling te hoog is. Hierbij kan hij niet volstaan met een statistische gegevens over het (privé)gebruik.

Met betrekking tot de tweede vraag oordeelt het hof dat de werkgever zelf in eerste instantie gebruik heeft gemaakt van het 2,7%-forfait en hij dient te bewijzen dat de heffing over het privégebruik te hoog is. Naar het oordeel het hof is de werkgever hierin niet geslaagd. Naar het oordeel van het hof geldt het 1,5%-forfait niet voor een tweedehands auto’s die de ondernemer in 2010 heeft aangeschaft.

Ten aanzien van de derde vraag oordeelt het hof dat btw-heffing over de normale waarde niet in strijd is met het unierecht, omdat de wetgever deze maatregel mocht treffen om misbruik te voorkomen en het risico op misbruik (lees: slechts 21% btw verschuldigd uit lage eigen bijdrage wegens privégebruik) aanwezig is. Omdat de normale waarde gemaximeerd wordt op het bedrag dat de werknemer op de markt zou moeten betalen (art. 2a, lid 1, onderdeel s Wet OB) is geen sprake van een disproportionele maatregel. Het is voorts niet nodig dat het BTW-Comité vooraf van deze maatregel in kennis is gesteld; het in kennis stellen van de genomen maatregelen volstaat. Ook van strijd met de grondwet is geen sprake, omdat art. 8, lid 4 Wet OB niet op 1 januari 2012 met terugwerkende kracht tot 1 juli 2011 is ingevoerd, maar gewijzigd. Van strijd met het EVRM is evenmin sprake, omdat van een individuele en excessieve last niet kan worden gesproken.

Het hof oordeelt ten aanzien van de vierde vraag dat in de regel niet bij de publicatie in de Staatscourant maar bij de inwerkingtreding van de wet -in casu 1 januari 2012- aangesloten moet worden. Naar het oordeel van het hof is geen sprake is van het invoeren van art. 8, lid 4 Wet OB met terugwerkende kracht tot 1 juli 2011, zoals de ondernemer betoogt, maar het wijzigen van art. 8, lid 4 Wet OB.

De vijfde en laatste vraag betreft de schending van het beginsel van de fiscale neutraliteit. Het hof is het met de werkgever eens dat het om niet ter beschikking stellen van een aangeschafte auto of een operational leaseauto vanuit het oogpunt van de werknemer soortgelijk zijn. Het hof is het echter niet met de werkgever eens dat er een verschil is in btw-behandeling van deze verrichtingen: in beide gevallen is sprake van een handeling om niet waarover geen btw verschuldigd is. Het is juist dat de keuze om een auto te kopen leidt tot een andere btw-behandeling dan het sluiten van een operational leaseovereenkomst. Beoordeeld vanuit de afnemer (de werkgever) is echter geen sprake van een soortgelijke prestatie. De aanschaf van de auto of de operational lease van een auto zijn  wezenlijk van elkaar te onderscheiden prestaties. Indien de btw-gevolgen van de operational lease de werkgever meer hadden aangesproken, had hij voor die transactievorm kunnen kiezen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Van een schending van het neutraliteitsbeginsel is daarom geen sprake.  

Net als de rechtbank oordeelt het hof dat een algemene ‘normale waarde-bepaling’ in het kader van het voorkomen van misbruik mag. Maar is enkel de vrees van de wetgever dat (op grote schaal) een lage eigen bijdrage zou kunnen worden gevraagd voldoende bewijs dat deze maatregel in het algemeen misbruik voorkomt? En, als in een individueel geval vaststaat dat van misbruik geen sprake is, moet dan toch een anti-misbruikbepaling toegepast worden? Een dergelijke one-size-fits-all-benadering leidt immers tot een overkill van de anti-misbruikwetgeving. Dat de normale waarde gemaximeerd is op de vergoeding die de werknemer op de markt zou moeten betalen is onzes inziens geen garantie voor een proportionele maatregel, zoals het hof aanneemt. Want bestaat er überhaupt een markt voor het privégebruik van zakelijke auto’s? Op dit punt achten wij het oordeel van het hof niet overtuigend.

Een ander aspect dat aandacht verdient is de statistische gegevens inzake het privégebruik. Het hof lijkt van oordeel te zijn dat dergelijke statistische gegevens onvoldoende zijn om een lager privégebruik dan het forfaitair vastgestelde privégebruik aannemelijk te maken. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het BUA kan echter worden afgeleid dat een lager privégebruik dan het forfaitair vastgestelde privégebruik (wel) aannemelijk kan worden gemaakt aan de hand van statistische gegevens.

 

Een vraag die nog niet is beantwoord, is de vraag hoe omgegaan wordt met het privégebruik van ingekochte leasediensten. Rechtbank Gelderland oordeelde in eerste aanleg dat art. 4, lid 2 Wet OB niet van toepassing is op operational leasediensten, maar dat voor het privégebruik geen recht op btw-aftrek bestaat op grond van art. 15, lid 1 Wet OB. Naar onze mening ten onrechte, omdat dit in tegenspraak is met het Eon Asset Menidjmunt-arrest van het HvJ en het de vraag oproept waarom tot 1 juli 2011 dan een aftrekuitsluiting op grond van art. 16 Wet OB nodig was als de btw op grond van art. 15, lid 1 Wet OB reeds niet aftrekbaar was. Wellicht dat deze vraag in een andere (proef)procedure nog aan bod komt.

Voor meer informatie over het privégebruik van de auto zie 14/00452, 14/00453, 14/00454 en 14/00455.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op