22 september 2016Uitsluiting aftrekrecht bij >90% gebruik voor niet-economische activiteiten niet toegestaan

Het uitsluiten van het recht op aftrek in een situatie waarin een onderneming goederen of diensten verwerft die voor meer dan 90% worden gebruikt voor niet-economische activiteiten, die niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen, is naar het oordeel van het HvJ niet toegestaan.

Het Duitse district Potsdam-Mittelmark is een territoriaal publiekrechtelijk lichaam dat onder eigen verantwoordelijkheid taken vervult waarvoor de gemeenten en besturen niet het potentieel bezitten. Het district heeft met name de taak om wegen aan te leggen en te onderhouden en de verkeersveiligheid te waarborgen. Deze taken vervult het district door middel van een eigen onderneming (Eigenbetrieb) zonder rechtspersoonlijkheid. In 2008 heeft het district werktuigen, bedrijfsvoertuigen en toebehoren, die zij voornamelijk heeft gebuikt voor de uitvoering van haar overheidstaken. Deze goederen zijn echter voor 2,65% ook ten behoeve van derden gebruikt, namelijk voor het snoeien en vellen van bomen, maai- en veegwerk en diensten in de winter. Voor deze diensten was het district btw-plichtig. Het district heeft de voorbelasting die op de goederen drukte deels in aftrek gebracht. De Duitse fiscus heeft de btw-aftrek echter geweigerd, omdat de goederen niet voor minimaal 10% waren gebruikt voor het bedrijf van het district. Op grond van een nationale regeling is de aftrek in dat geval uitgesloten. Het district is het hiermee oneens, omdat de weigering volgens haar het unierecht schendt en in strijd is met het beginsel van mededingingsneutraliteit, aangezien het district nu een structureel concurrentienadeel ondervindt ten opzichte van particuliere ondernemingen.

De Duitse rechter heeft aan het HvJ EU de prejudiciële vraag gesteld of Duitsland de aftrek in dit geval mag uitsluiten. De lidstaat Duitsland beschikt over een machtigingsbeschikking om de aftrek uit te sluiten als een ondernemer goederen voor 90% of meer voor ‘andere dan bedrijfsdoeleinden’ gebruikt, maar het is niet duidelijk of deze mag worden toegepast in een geval als het onderhavige. Het HvJ heeft in deze zaak geoordeeld dat de machtiging die Duitsland heeft om een maatregel toe te passen in afwijking van de btw-richtlijn niet van toepassing is in een situatie zoals die de onderhavige, waarin een onderneming goederen of diensten verwerft die voor meer dan 90% worden gebruikt voor niet-economische activiteiten, die niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen. Gebruik voor niet-economische activiteiten staat volgens het HvJ niet gelijk aan gebruik voor ‘andere dan bedrijfsdoeleinden.’ De uitsluiting van het recht op btw-aftrek zorgt er in deze casus voor dat niet wordt voldaan aan het doel van de aftrekregeling, namelijk het geheel ontlasten van de ondernemer van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. De uitsluiting strijdt daarom met het beginsel van fiscale neutraliteit, aldus het HvJ.

Nederland beschikt niet, zoals Duitsland, over een machtigingsbeschikking voor uitsluiting van het aftrekrecht in bepaalde gevallen. Interessant is dat het HvJ in zijn arrest opmerkt dat ‘gebruik voor niet-economische activiteiten’ niet gelijkstaat aan ‘gebruik voor andere dan bedrijfsdoeleinden.’ Gebruik voor andere doeleinden kan namelijk aan de btw zijn onderworpen (zie art. 4, lid 2, onderdeel a Wet OB), terwijl niet-economische activiteiten niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op