2 augustus 2017Teruggaafverzoek btw oninbare debiteuren na eindrapportage incassobureau te laat ingediend

Wanneer een vordering niet wordt betaald of niet meer zal worden betaald, kan de presterende btw-ondernemer de reeds betaalde btw terugvragen. Dit teruggaafverzoek moet uiterlijk binnen een maand na afloop van het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan worden ingediend. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft duidelijk gemaakt dat het indienen van een teruggaafverzoek na ontvangst van de eindrapportage van een incassobureau te laat is indien daarvoor al duidelijk is dat de vordering oninbaar is.

De feiten in deze zaak zijn als volgt. Een aannemersbedrijf op het gebied van grond-, water- en wegenbouw alsmede cultuurtechnische (onderhouds)werken houdt zich bezig met het produceren, leveren, installeren en onderhouden van complete riool-, besturing- en meldsystemen inclusief elektrotechnische werkzaamheden. Op 8 november 2012 is het aannemersbedrijf failliet verklaard en zijn alle vorderingen op debiteuren aan de Rabobank verpand. In maart 2014 verzoekt het aannemersbedrijf om btw-teruggaaf ten aanzien van oninbare debiteuren voor een bedrag van € 218.287. De inspecteur heeft beslist dat het verzoek niet tijdig is ingediend en verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Er wordt ambtshalve een teruggaaf van € 600 verleend. Het aannemersbedrijf stelt beroep in bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank).

De rechtbank oordeelt dat uit art. 29, lid 1, sub a Wet OB volgt dat op verzoek een teruggaaf van btw wordt verleend voor zover de vergoeding niet is en niet zal worden ontvangen. Op grond van art. 31, lid 1 Wet OB dient een dergelijk teruggaafverzoek bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan, te geschieden. Dit betekent dat het teruggaafverzoek uiterlijk binnen één maand na afloop van het tijdvak moet zijn ingediend. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het recht op btw-teruggaaf niet eerder kan ontstaan dan op het tijdstip waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven. Op grond van een redelijke wetstoepassing heeft de ondernemer/crediteur enige beoordelingsvrijheid bij het bepalen of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven. In deze zaak zijn er drie faillissementsverslagen opgemaakt in 2013 en een eindrapportage van het incassobureau van 10 maart 2014. De rechtbank geeft aan dat het aannemersbedrijf in beginsel kan uitgaan van de datum van de eindrapportage van het incassobureau. In deze zaak ligt het tijdstip waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven echter eerder, namelijk begin december 2013 (derde faillissementsverslag). Uit de drie faillissementsverslagen blijkt dat de curator door het incassobureau op de hoogte is gehouden met betrekking tot de incassoactiviteiten van het incassobureau. Uit het faillissementsverslag van 5 december 2013 blijkt dat de Rabobank de incassoactiviteiten toen al heeft gestaakt vanwege de niet incasseerbaarheid van ongeveer € 1,4 miljoen aan vorderingen. Bovendien is in dit faillissementsverslag opgemerkt dat de curator onderzoekt of de btw op deze facturen teruggevorderd kan worden. Het aannemersbedrijf heeft desgevraagd verklaard dat het hem niet bekend is of de curator in de periode tussen het derde faillissementsverslag en de eindrapportage van het incassobureau inningspogingen heeft gedaan. De rechtbank oordeelt dat, ook met inachtneming van de beoordelingsvrijheid, uiterlijk in het vierde kwartaal van 2013 redelijkerwijs kon worden aangenomen dat de voldoening door de debiteuren achterwege zou blijven, zodat het recht op teruggaaf in dat tijdvak was ontstaan. Het teruggaafverzoek had dan binnen een maand na 31 december 2013 ingediend moeten zijn. Nu het verzoek pas op 18 maart 2014 is ingediend, is de rechtbank van mening dat de inspecteur het verzoek terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

De boodschap van deze uitspraak is dat bij inschakeling van een incassobureau in beginsel uitgegaan mag worden van de datum van het eindrapport van het incassobureau als het moment waarop redelijkerwijs duidelijk is dat de debiteur redelijkerwijs niet meer zal betalen. Op dit uitgangspunt bestaat een uitzondering indien voor de datum van het eindrapport reeds duidelijk is dat de vorderingen niet meer betaald zullen worden. In deze zaak doet die uitzonderingssituatie zich voor. Dit betekent dat het aannemersbedrijf het verzoek om teruggaaf te laat heeft ingediend. Het aannemersbedrijf kan een nieuwe poging doen door een teruggaafverzoek in te dienen over het juiste tijdvak. De inspecteur zal dit teruggaafverzoek ambtshalve moeten beoordelen. Komt hij niet ambtshalve tegemoet aan dit verzoek dan heeft de btw-ondernemer geen mogelijkheid om dit besluit aan de belastingrechter voor te leggen. Omdat duidelijk is dat er recht op btw-teruggaaf bestaat, doet een uitspraak als deze het rechtvaardigheidsgevoel geen goed. Waarom een jarenlange procedure voeren over de vraag of wel of niet tijdig is verzocht om een btw-teruggaaf als duidelijk is dat recht op btw-teruggaaf bestaat? Gelukkig zijn op 1 januari 2017 de regels voor de btw-teruggaaf voor oninbare vorderingen versoepeld. Vanaf 2017 geldt dat het recht op btw-teruggaaf geacht wordt te zijn ontstaan uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden. Hierdoor wordt het voor de btw-ondernemer/crediteur makkelijker om de btw op de oninbare btw terug te krijgen en worden onnodige discussies over de tijdigheid van het teruggaafverzoek, zoals in deze zaak, voorkomen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op