19 januari 2018Terecht vergrijpboete opgelegd aan adviseur wegens het opzettelijk niet doen van suppletieaangiften btw

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de inspecteur terecht een vergrijpboete heeft opgelegd aan de belastingadviseur wegens het opzettelijk niet doen van suppletieaangiften btw voor zijn klant.

Feiten

Een belastingadviseur werkt bij een administratiekantoor waar hij onder meer aangiften btw indient voor klanten. De inspecteur heeft bij een klant (een vof) van het administratiekantoor een boekenonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek bleek dat over de jaren 2011 en 2012 in een groot aantal maanden nihilaangiften btw waren gedaan. Over de andere maanden is wel aangifte gedaan en btw voldaan. Uit de jaarstukken van de vof betreffende de jaren 2011 en 2012 blijkt dat nog aanzienlijke bedragen aan btw verschuldigd is. Er zijn geen suppletieaangiften gedaan over de jaren 2011 en 2012. De verschuldigde btw is niet voldaan. De inspecteur heeft aan de vof voor de onderhavige jaren een naheffingsaanslag btw opgelegd en een vergrijpboete. De inspecteur heeft ook aan de belastingadviseur een vergrijpboete opgelegd wegens het medeplegen van opzettelijk niet tijdig indienen van suppletieaangiften voor de btw. In geschil is of de inspecteur terecht een vergrijpboete wegens het opzettelijk niet suppleren van btw aan de adviseur heeft opgelegd.

Rechtbank Noord-Holland

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat voor het opleggen van een vergrijpboete sprake moet zijn van medeplegen. De rechtbank stelt dat voor de kwalificatie medeplegen in de zin van art. 5:1, lid 2 Awb sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen twee of meer (rechts)personen. Dat is het geval als een delict gezamenlijk wordt uitgevoerd door de overtreder en een andere betrokkene. Bestaat de samenwerking niet uit een gezamenlijke uitvoering, dan is voor de kwalificatie medeplegen vereist dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van de betrokkene aan het delict van voldoende gewicht is. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2015.

De rechtbank acht aannemelijk dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de belastingadviseur en de klant. De belastingadviseur en zijn klant hebben in verband met de financiële problemen van de vof bewust nihilaangiften btw ingediend en hebben vervolgens bewust nagelaten suppletieaangiften te doen. Beide partijen hebben volgens de rechtbank gezamenlijk gehandeld in de uitvoering van de overtreding. De belastingadviseur kan worden aangemerkt als medepleger als bedoeld in art. 5:1 Awb. De rechtbank handhaaft de vergrijpboete die aan de belastingadviseur is opgelegd.

Het eerste punt wat wij willen aanstippen is de boete over het jaar 2011. Naar onze mening is deze onterecht opgelegd. Vóór 2012 kon het niet (tijdig) indienen van een suppletieaangifte een rol spelen bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen boete, maar kon dit geen zelfstandige aanleiding zijn voor het opleggen van een vergrijpboete. Vanaf 1 januari 2012 is een btw-ondernemer wettelijk verplicht om een suppletieaangifte in te dienen als hij constateert dat hij een aangifte over een tijdvak in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of onvolledig heeft gedaan waardoor te veel of te weinig btw is voldaan. Laat hij dit na dan riskeert hij een vergrijpboete. De in art. 15, lid 1 Uitv. Besl. OB genoemde vijfjaarstermijn betekent feitelijk dat ook een suppletieplicht bestaat voor aangiftetijdvakken vóór 2012. Naar onze mening is deze terugwerkende kracht een schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Daarnaast is het gebruik van terugwerkende kracht bij het opleggen van boeten verboden op grond van art. 49 lid 1 Handvest van de grondrechten van de EU.

De boete over het jaar 2012 is wel terecht opgelegd. Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een ‘nauwe en bewuste samenwerking’. In deze zaak is het naar onze mening overduidelijk dat de belastingadviseur kan worden aangemerkt als medepleger. De bijdrage van de medepleger vond namelijk plaats tijdens het strafbare feit, aangezien er sprake was van rechtstreekse betrokkenheid bij het niet indienen van suppletieaangiften. De bijdrage van een medepleger hoeft echter niet noodzakelijkerwijs tijdens het strafbare feit te hebben plaatsgevonden, dit volgt uit een arrest van de HR van 6 maart 2012. De adviseur had immers het plan bedacht en was betrokken geweest bij de informatieverstrekking aan het kantoor dat de aangiften uiteindelijk had opgesteld. In bovengenoemde zaken is sprake van een (adviserende) rol voorafgaand aan het onjuist doen van aangifte, zonder dat rechtstreekse betrokkenheid was bij het doen van de aangifte bestond. Er is dan dus volgens de HR méér nodig om tot een veroordeling van medeplegen te komen. In dit geval was de adviseur de ‘architect’ van het delict ‘en was hij betrokken bij de informatieverstrekking aan de daadwerkelijke opsteller van de aangiften’. In de praktijk blijkt dat medeplegers steeds vaker aansprakelijk gesteld worden en een vergrijpboete krijgen opgelegd. Boekhouders, administratiekantoren, adviseurs is alertheid geboden.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op