4 augustus 2015Terbeschikkingstelling multifunctioneel centrum met bijkomende diensten is btw-vrijgestelde verhuur

De terbeschikkingstelling van ruimten in een multifunctioneel centrum in combinatie met overige diensten is volgens Hof Arnhem-Leeuwarden aan te merken als vrijgestelde verhuur van onroerend goed, waarbij de passieve terbeschikkingstelling van ruimten de hoofddienst is en de overige dienstverlening een bijkomstig karakter heeft. 

Stichting X (hierna: X) heeft in 1997 grond aangekocht en hierop een pand laten bouwen, dat zij in september 2001 – vóór de voltooiing van de bouw – in gebruik genomen heeft voor de verhuur van ruimten. De bouw van het multifunctionele centrum is onder andere gefinancierd door kerkgenootschap C. X stelde wekelijks op zondag een samenkomstzaal, de daarin opgestelde stoelen en enkele naastgelegen ruimten ter beschikking aan C. Daarnaast stelde X een kantoorruimte ter beschikking aan D en twee kantoorruimten, een opslagruimte en een winkelruimte aan E. Tot slot heeft X in 2001 één dag en drie dagen ruimten ter beschikking gesteld aan respectievelijk K en L. X heeft de verhuurdiensten belast met btw en deed een beroep op Mededeling 40, een goedkeuring om de kortdurende verhuur aan steeds wisselende huurders te belasten met btw zonder te opteren voor btw-belaste verhuur. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat X het pand na ingebruikneming voor niet meer dan 30% voor btw-belaste prestaties heeft gebruikt en dat om die reden bij ingebruikneming een integratieheffing verschuldigd was, waarna hij een naheffingsaanslag heeft opgelegd. X is in verweer gekomen tegen deze naheffing. 

Na ongegrondverklaring van zijn beroep door Hof Den Bosch is door X cassatieberoep ingesteld. In cassatie oordeelde de Hoge Raad dat het unierecht ruimte laat voor een integratieheffing bij de ingebruikneming van een pand dat op eigen grond gebouwd is en voor vrijgestelde doeleinden in gebruik wordt genomen, dat onduidelijk is of het pand door X voor vrijgestelde bedrijfsdoeleinden in gebruik is genomen en dat, indien sprake is van een verhuurdienst, de uitsluiting van kerkgenootschappen en hiermee verbonden lichamen van de toepassing van de goedkeuring in Mededeling 40 stoelt op praktische overwegingen, zodat die uitsluiting gerechtvaardigd is. 

De Hoge Raad heeft de zaak doorverwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling. Het hof, dat overweegt dat nog slechts in geschil is of de prestaties van X aan C kwalificeren als vrijgestelde verhuur dan wel als een dienst van een eigen aard, heeft recent geoordeeld dat in casu sprake is van de vrijgestelde verhuur van onroerend goed, waarbij de passieve terbeschikkingstelling van ruimten aan C de hoofddienst is en de overige dienstverlening een bijkomstig karakter heeft. Het hof weegt daarbij mee dat op de factuur aan C alleen de vermelding ‘huur’ staat en de overeengekomen prijs niet kon worden gespecificeerd, omdat een vaste prijs is overeenkomen. Het hof overweegt nog dat als de diensten door X wel zouden moeten worden aangemerkt als handelingen waarvan te onderkennen is dat zij verricht worden om specifiek gebruik van het gebouw te faciliteren (zoals schoonmaak), X dan niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze handelingen een meer dan bijkomstig karakter hebben ten opzichte van het deel van de prestatie dat verband houdt met het tijdsverloop dan wel dat de economische waarde van deze handelingen meer dan bijkomstig is. 

De vrijgestelde verhuur leidt tot een interne levering van de eerste fase van het pand, aldus het hof. 

Zie  Het besluit van 14 juli 2009 waarin de goedkeuring om kortdurende verhuur te belasten met btw is opgenomen en waar de Hoge Raad in zijn uitspraak op doelde, is per 19 september 2013 vervangen door een nieuw besluit, waarin kerkgenootschappen en hiermee verbonden lichamen niet langer expliciet worden uitgesloten van deze goedkeuring.