10 maart 2016Terbeschikkingstelling artsen aan ziekenhuizen btw-belast

De terbeschikkingstelling van artsen, medisch specialisten, verpleegkundigen en tandartsen door een B.V. aan diverse zorginstellingen is een met 21% btw belaste dienst, aldus de conclusie van A-G Wattel.

Een B.V. verzorgt werving, selectie en (zoals zij tot voor kort op haar website vermeldde) detachering van buitenlandse artsen, medisch specialisten, verpleegkundigen en tandartsen voor Nederlandse ziekenhuizen, zorginstellingen en tandartspraktijken. Zij sluit hiertoe overeenkomsten met de opdrachtgevers. De B.V. is van mening dat de door haar verrichte diensten kwalificeren als btw-vrijgestelde medische diensten. Om die reden heeft zij bezwaar gemaakt tegen de voldoening van btw op aangifte. De inspecteur van de Belastingdienst meent echter dat de diensten van de B.V. kwalificeren als met 21% btw belaste terbeschikkingstelling van personeel en heeft om die reden het bezwaar van de B.V. afgewezen.

Ter onderbouwing van haar standpunt voert de B.V. aan dat de overeenkomsten weliswaar worden gesloten met de opdrachtgevers, maar dat zij degene is die de medische diensten verricht aan de patiënt. Voorts meent de B.V. dat de vrijstelling ruim uitgelegd moet worden, zodanig dat ook met de medische vrijstelling samenhangende prestaties hieronder vallen. Tot slot beroept de B.V. zich op het gelijkheidsbeginsel, waarbij zij haar diensten vergelijkt met de diensten van een specialistenvennootschap, en op het beginsel van fiscale neutraliteit, aangezien het volgens de B.V. vanuit de patiënt bezien niet mag uitmaken of de zorg wordt verleend door een arts die in dienst is van de B.V. of van een specialistenvennootschap.

Rechtbank Gelderland heeft in deze zaak geoordeeld dat de medische vrijstelling in casu niet van toepassing is. In hoger beroep oordeelt Hof Arnhem-Leeuwarden eensluidend. Naar het oordeel van het hof verricht de B.V. een dienst aan het ziekenhuis, die inhoudt dat de B.V. personeel (de artsen) ter beschikking stelt aan het ziekenhuis. De B.V. heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het hof.

A-G Wattel adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond te verklaren. Naar de mening van de A-G is het oordeel van het hof dat de medische vrijstelling niet rechtstreeks kan gelden voor de artsen – aangezien zij in dienst zijn bij en ondergeschikt zijn aan de B.V. en hun werkzaamheden dus geen voor de btw relevante prestaties zijn – juist, gelet op art. 10 van de btw-richtlijn en het arrest ‘“go fair” Zeitarbeit OHG’ van het HvJ EU. Aangezien de B.V. moet worden beschouwd als uitzender die de aan haar ondergeschikte artsen ‘exploiteert’, staat het volgens de A-G vast dat op deze diensten de vrijstelling niet van toepassing is. 

Het oordeel van het hof houdt volgens de A-G niet in dat het voor de toepassing van de vrijstelling uitmaakt of een zelfstandige arts zijn diensten rechtstreeks of door tussenkomst van een (praktijk-)B.V. aanbiedt, zodat de stelling van de B.V. dat het hof ten onrechte belang heeft gehecht aan de rechtsvorm van de B.V. niet opgaat. Het oordeel van het hof is derhalve niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd, meent de A-G.

Het beroep van de B.V. op het neutraliteits- en gelijkheidsbeginsel slaagt volgens de A-G evenmin. De B.V. is er ten onrechte vanuit gegaan dat haar diensten vergelijkbaar zijn met die van specialistenmaatschappen of medische praktijk-B.V.’s. De B.V. verricht haar diensten echter aan het ziekenhuis, terwijl de genoemde zorgverleners rechtstreeks jegens de patiënt/zorgvrager presteren. Van gelijke gevallen is daarom geen sprake.

De Hoge Raad moet nog arrest wijzen.

Zie