31 oktober 2013Ten onrechte berekende btw terecht van opsteller factuur nageheven

Eenmansondernemer A, die elektrotechnische werkzaamheden zoals het aanleggen van elektrische bedrading en meterkasten verricht, heeft in 2006 middels een tweetal facturen ruim € 29.000 btw in rekening gebracht aan een opdrachtgever. A heeft echter verzuimd dit btw-bedrag in zijn aangifte op te nemen. Naar aanleiding van een boekenonderzoek in 2011 heeft de inspecteur vervolgens een naheffingsaanslag met heffingsrente en een boete opgelegd. Na het opleggen van de naheffingsaanslag is nog een tweetal facturen naar voren gekomen uit 2005. Op één van deze facturen werd ruim € 11.000 btw in rekening gebracht aan de opdrachtgever, op de andere factuur was de vermelding ‘btw verlegd’ opgenomen. 

A heeft bezwaar aangetekend tegen de opgelegde naheffingsaanslag en stelt in de eerste plaats dat de naheffingstermijn van vijf jaar is verlopen en daarom niet kan worden nageheven. In de tweede plaats dient de btw volgens A niet bij hem, maar bij de opdrachtgever nageheven te worden. Bovendien dient de naheffingsaanslag te worden verminderd omdat een deel van de werkzaamheden in 2005 heeft plaatsgevonden. Tot slot meent A dat de facturen door de opdrachtgever nimmer zijn betaald, zodat sprake is van oninbare vorderingen. 

In eerste aanleg oordeelde Rechtbank Noord-Holland dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. In hoger beroep bevestigt Hof Amsterdam het oordeel van de rechtbank. Naar het oordeel van het hof is de op de facturen vermelde btw in 2006 verschuldigd geworden op grond van art. 37 Wet OB, waarin is bepaald dat de persoon die op een factuur melding maakt van btw die hij niet verschuldigd is geworden, deze btw verschuldigd is op het moment dat hij de factuur uitreikt. Dat A reeds in 2005 een deel van de werkzaamheden heeft uitgevoerd, is derhalve niet relevant. A heeft voorts niet aantoonbaar voldaan aan de voorwaarden die in het beleid gesteld worden aan de herziening van de verschuldigd geworden ‘art. 37-btw’. Tot slot merkt het hof op dat indien sprake is van een oninbare vordering en de op de factuur vermelde btw daarom op grond van art. 29 Wet OB voor teruggaaf in aanmerking komt, A deze btw terug dient te vragen middels een afzonderlijk teruggaafverzoek. De naheffingsaanslag is naar het oordeel van het hof terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. 

Zie 14.3 voor meer informatie over art. 37-btw.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op