27 maart 2018Tegenwerpen vervaltermijn btw-teruggaaf niet toegestaan bij te laat uitgereikte correctiefacturen en goede trouw

Het HvJ oordeelt dat de Slowaakse regeling inzake de btw-teruggaaf in strijd is met het EU-recht. Volgens het HvJ heeft Volkswagen recht op btw-teruggaaf.

Feiten

Volkswagen AG (hierna: Volkswagen) heeft in de periode 2004 – 2010 mallen voor de productie van verlichtingsapparatuur voor auto’s gekocht van verschillende afnemers. De leveranciers hebben op de facturen aan Volkswagen geen btw vermeld, omdat zij ervan zijn uitgegaan dat het geen leveringen van goederen, maar gewoon een financiële compensatie betrof. Toen zij in 2010 beseften dat zij zich hadden vergist, hebben de leveranciers aan Volkswagen de btw in rekening gebracht door middel van afzonderlijke juiste facturen waarop ditmaal wel de verschuldigde btw werd vermeld. Ook werden aanvullende btw-aangiften ingediend en werd de btw aan de schatkist betaald. Op 1 juli 2011 heeft Volkswagen de Slowaakse fiscus verzocht om btw-teruggaaf van de door haar betaalde btw.

Procedureverloop

De Slowaakse fiscus kent het btw-teruggaafverzoek van Volkswagen slechts gedeeltelijk toe, omdat voor de jaren 2004 en 2005 de teruggaaftermijn van 5 jaren al was verstreken. Volkswagen gaat in beroep die door de hogere belastingautoriteit van Slowakije wordt afgewezen. De hoogste rechterlijke instantie van Slowakije vraagt het HvJ om uitleg te geven in hoeverre het recht op btw-aftrek nog kan worden uitgeoefend wanneer bij de levering van goederen aanvankelijk geen btw in rekening wordt gebracht en de latere rechtzetting daarvan betrekking heeft op belastingtijdvakken van meer dan 5 jaar geleden. De A-G adviseert het HvJ om te concluderen dat indien een belastingplichtige ten onrechte maar te goeder trouw vanuit is gegaan dat de levering van goederen niet onderworpen was aan btw en die btw pas jaren nadien is betaald, de belastingplichtige het recht heeft om de over die handeling betaalde btw in aftrek te brengen of teruggaaf daarvan te krijgen.

HvJ

Het HvJ oordeelt dat de Slowaakse regeling inzake de btw-teruggaaf in strijd is met het EU-recht. In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de betrokken goederen weliswaar tussen 2004 en 2010 zijn geleverd, maar dat de leveranciers pas in 2010 hebben voldaan aan hun btw-verplichtingen, namelijk facturen hebben opgesteld met de vermelding van de btw, aanvullende btw-aangiften hebben ingediend bij de bevoegde nationale autoriteit en de verschuldigde btw hebben afgedragen aan de Staat. Uit die beslissing blijkt voorts dat het risico van belastingfraude of niet-betaling van de btw uitgesloten was. In die omstandigheden was het volgens het HvJ voor Volkswagen objectief onmogelijk om haar recht op teruggaaf uit te oefenen zolang die rechtzettingen niet hadden plaatsgevonden, aangezien zij niet beschikte over de facturen en evenmin wist dat btw moest worden betaald.

Het HvJ stelt dat het immers pas is nadat die rechtzettingen waren doorgevoerd dat de materiële en formele voorwaarden voor het recht op btw-aftrek vervuld waren en dat Volkswagen dus kon verzoeken om overeenkomstig de btw-richtlijn en het beginsel van fiscale neutraliteit te worden ontlast van de verschuldigde of betaalde btw. Aangezien Volkswagen geen blijk heeft gegeven van onzorgvuldig gedrag en er geen misbruik of frauduleuze samenspanning met de leveranciers in het spel was, kon een vervaltermijn die inging op het tijdstip waarop de goederen werden geleverd en die voor bepaalde perioden al was verstreken vóór de betrokken rechtzettingen hadden plaatsgevonden, er niet op rechtsgeldige wijze toe leiden dat Volkswagen haar recht op btw-teruggaaf verloor.

Het HvJ komt tot de eindconclusie dat het EU-recht zich verzet tegen de regeling van een lidstaat volgens welke aan Volkswagen, waarin pas verschillende jaren na de levering van de goederen in kwestie btw aan hem in rekening is gebracht en door hem is betaald, het recht op btw-teruggaaf wordt ontzegd op grond dat de vervaltermijn waarin die regeling voor de uitoefening van dat recht voorziet, is ingegaan op het ogenblik waarop de goederen zijn geleverd en al was verstreken toen Volkswagen een verzoek om teruggaaf indiende.

Wij zijn het eens met de conclusie van het HvJ. Hoewel de btw-richtlijn niet uitdrukkelijk een termijn vermeldt waarbinnen het recht op aftrek moet worden uitgeoefend, mogen lidstaten omwille van de rechtszekerheid wel een dergelijke termijn invoeren. Deze termijn is niet onevenredig voor zover deze termijn op dezelfde wijze geldt voor soortgelijke rechten in belastingzaken naar nationaal recht en naar gemeenschapsrecht. Voor de bepaling van die termijn kan echter niet uitsluitend worden gelet op het tijdstip waarop de goederen worden geleverd, waarbij geen rekening wordt gehouden met andere relevante omstandigheden. Het oordeel van het HvJ laat zien dat in gevallen waarin volgens de wettelijke bepalingen geen grond bestaat voor btw-teruggaaf, dit wellicht nog wel bereikt kan worden door een beroep te doen op de algemene rechtsbeginselen waaronder het beginsel van de fiscale neutraliteit en het evenredigheidsbeginsel. Vereist is wel dat de belastingplichtige te goeder trouw heeft gehandeld, geen sprake is van fraude of een belastingvoordeel en geen verlies van belastinginkomsten aan de orde is. Een belangrijk punt in deze casus is dat tegen de wettelijke regels in de verschuldigde btw na een periode van 5 jaren wel wordt geïnd, maar een btw-teruggaaf van die betaalde btw niet wordt toegekend.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op