27 maart 2018Tandheelkundige arrangementen met automatische incasso niet btw-vrijgesteld

De A-G is van mening dat de vrijstelling van art. 135, lid 1, onderdeel d btw-richtlijn niet kan worden toegepast op een dienstverlener die slechts opdrachten geeft aan banken om geldsommen over te maken.

Feiten

Het Britse Dental Plan Administration Services Limited (hierna: DPAS) biedt tandartsen praktijk gebonden tandheelkundige zorgarrangementen aan en beheert deze arrangementen voor de ingeschreven patiënten. Een zorgarrangement houdt in dat een tandarts toezegt bepaalde tandheelkundige zorg te verlenen en dat de patiënt in ruil daarvoor een bepaald maandelijks bedrag betaalt. DPAS biedt ook enkele andere diensten aan, namelijk verzekeringen en diensten op het gebied van betalingsadministratie. Patiënten betalen voor de zorgarrangementen, via automatische incasso, een maandelijks bedrag aan DPAS. DPAS betaalt vervolgens, onder inhouding van een vergoeding, een bedrag aan de tandartsen.

Procedure

De Britse Belastingdienst is van mening dat de door DPAS verrichte handelingen betalingen of overmakingen betreffen, die van btw zijn vrijgesteld op grond van art. 135, lid 1, onder d, in tegenstelling tot DPAS. De Britse rechter heeft vervolgens prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ. Primair wil de Britse rechter vernemen of de aan de patiënten verrichte diensten door DPAS zijn aan te merken als ‘handelingen betreffende betalingen of overmakingen’ waarvoor een btw-vrijstelling geldt op grond van art. 135, lid 1, onderdeel d btw-richtlijn (hierna: betalingsvrijstelling). Subsidiair wil de Britse rechter vernemen of de omstandigheid dat een dienst formeel gezien door de belastingplichtige (DPAS) wordt verricht ten behoeve van de schuldenaar (de patiënt) en niet van de schuldeiser van de betaling (de tandarts), na wijziging van de overeenkomsten tussen deze partijen, niet relevant is voor de toepassing van deze vrijstelling, aangezien de economische werkelijkheid van de dienst ongewijzigd is gebleven.

A-G

Advocaat-generaal Saugmandsgaard (hierna: A-G) concludeert dat de btw-vrijstelling niet van toepassing is op de dienst die DPAS aan de patiënten verricht. De A-G verwijst naar eerdere rechtspraak van het HvJ, waarin is bepaald dat een overmaking een handeling is die bestaat in de uitvoering van een opdracht tot overdracht van een geldsom van de ene bankrekening naar de andere. Volgens de A-G is hiervoor kenmerkend dat een dergelijke handeling resulteert in de juridische en financiële wijzigingen tussen partijen (HvJ arrest SDC 5 juni 1997, C-2/95). De A-G is van mening dat de betalingsvrijstelling niet geldt voor een eenvoudige dienst van materiële, technische of administratieve aard die niet de juridische en financiële wijzigingen meebrengt die kenmerkend zijn voor de overdracht van een geldsom (HvJ arrest SDC en HvJ arrest AXA Dexplan UK 28 oktober 2010, nr. C-175/09). De A-G herhaalt verder dat de aard van de dienst doorslaggevend is en niet de hoedanigheid van de dienstverlener.

De A-G is van mening dat diensten als die welke DPAS verricht, vallen onder de categorie van ‘eenvoudige materiële, technische of administratieve diensten’ die aan btw onderworpen blijven. Volgens de beschrijving die de verwijzende rechter aan de verrichte dienst heeft gegeven, verzoekt DPAS een financiële instelling op grond van een machtiging tot automatische incasso om een geldsom van de patiënt af te schrijven en over te maken aan DPAS, die vervolgens haar bank vraagt om deze geldsom, na de aftrek van de aan haar verschuldigde vergoeding, over te maken aan de tandarts en de verzekeraar van de patiënt. De omstandigheid dat DPAS de bevoegdheid heeft om namens en voor rekening van de patiënt om overdracht van een geldsom te verzoeken bij diens bank, kan niet tot gevolg hebben dat deze voorbereidende stap een ‘handeling betreffende betalingen of overmakingen’ wordt in de zin van de betalingsvrijstelling. DPAS geeft de financiële instellingen weliswaar de opdracht om de overmakingen uit te voeren, maar DPAS voert die opdrachten niet zelf uit. De juridische en financiële verhoudingen worden volgens de A-G dus niet door DPAS gewijzigd.

De A-G is verder van mening dat de wijziging van de overeenkomsten tussen partijen niet relevant is voor de toepassing van de betalingsvrijstelling. DPAS heeft duidelijk gecommuniceerd dat er feitelijk niets zal veranderen door de wijziging, waardoor de wijziging volgens de A-G niet in overeenstemming is met de economische realiteit. De economische realiteit is onder deze omstandigheden leiden voor de btw. De wijziging van de overeenkomsten heeft niet tot gevolg dat DPAS naast haar diensten aan de tandartsen ook diensten aan de patiënten verricht. De A-G komt daardoor niet aan de vraag toe of dergelijke diensten moeten worden aangemerkt als btw-belaste diensten bestaande uit de inning van schuldvorderingen indien die diensten worden verricht aan de patiënt (schuldenaars) in plaats van aan de tandartsen (schuldeisers). Verder merkt de A-G nog op dat als het HvJ toch zou oordelen dat sprake is van de inning van schuldvorderingen, het niet uitmaakt of in de overeenkomst de tandartsen of patiënten als formele ontvangers van de dienst worden aangewezen. De economische realiteit van de dienst blijft naar de mening van de A-G ongewijzigd.

Wij zijn het eens met de conclusie van de A-G. De conclusie van de A-G is in overeenstemming met de arresten SDC en Arthur Andersen van het HvJ en met name het Nordea arrest van het HvJ. In de zaak Nordea verrichtte de Nordea bank bankdiensten voor particulieren en ondernemingen. Hiervoor had zij diensten betrokken van de Society For Worldwide Interbank Financial Telecommunication (SWIFT). SWIFT beheerde een elektronische berichtendienst waarmee financiële instellingen berichten kunnen uitwisselen met behulp van software en een beveiligd netwerk. SWIFT-diensten werden gebruikt voor internationale en nationale betalingen en voor effectentransacties. Het HvJ besliste dat de betalingsvrijstelling niet geldt voor een elektronische berichtendienst voor financiële instellingen. De SWIFT-diensten hebben als functie het verzenden van gegevens. Er komt hierdoor geen overdracht van geld of overdracht van effecten tot stand. In dit arrest wordt bevestigd dat een berichtenservice geen functie verricht zoals verreist in de vrijstellingsbepaling. Om de betalingsvrijstelling toe te passen moet er sprake zijn van een geldovermaking en moeten er juridische en financiële wijzigingen plaatsvinden. Deze diensten worden onderscheiden van eenvoudig materiële en technische diensten. Dit onderscheid kan gemaakt worden door de omvang van de aansprakelijkheid jegens Nordea te onderzoeken. De aansprakelijkheid van SWIFT is beperkt tot technische aspecten. SWIFT zorgt er namelijk voor dat de opdrachten tot betaling en overmaking van de ene financiële instelling naar de andere wordt doorgegeven, maar is niet verantwoordelijk voor de inhoudelijke uitvoering In deze casus is de aansprakelijkheid van DPAS ook beperkt tot technische aspecten, DPAS zorgt er voor dat de opdrachten tot betaling en overmaking van de patiënten naar de tandartsen worden doorgegeven, maar is niet verantwoordelijk voor de inhoudelijke uitvoering.

Daarnaast volgt uit de arresten van het HvJ (o.a. SUFA & Deutsche Bank) dat om de verstorende werking van vrijstellingen tegen te gaan, de bewoordingen waarin vrijstellingen zijn omschreven strikt moeten worden uitgelegd. De conclusie van de A-G is in lijn hiermee.

Wij verwachten dat het HvJ de conclusie van de A-G volgt op basis van de hierboven aangehaalde rechtspraak. Desgewenst zijn de btw-specialisten van BTW-INSTITUUT graag bereid om u te helpen bij het in kaart brengen van de mogelijke gevolgen van deze conclusie en het vervolgarrest van het HvJ.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op