11 september 2015Strikte uitleg goedkeuring niet-belastingplichtige topholding in fiscale eenheid

In mei 2006 is door de heer B de holding X B.V. opgericht. X B.V. houdt alle aandelen in C B.V. en -sinds juli 2006- in A B.V. B is bestuurder en in die hoedanigheid beleidsbepaler van zowel X B.V. als A B.V. B heeft een arbeidsovereenkomst met A B.V. A B.V. heeft een belang in D B.V., die een belastingadviespraktijk drijft en is vanwege het verrichten van managementdiensten tegen vergoeding btw-ondernemer. C B.V. neemt deel in diverse vastgoed-B.V.’s. 

In geschil is of X B.V. in het vierde kwartaal van 2011 met A B.V. een fiscale eenheid voor de btw vormt. Rechtbank Den Haag oordeelt van niet. In hoger beroep oordeelt Hof Den Haag dat X B.V. een functie vervult die direct te maken heeft met het verrichten van economische activiteiten door A B.V. X B.V. vormt naar het oordeel van het hof een fiscale eenheid, zo niet met een rechtstreeks beroep op de holdingresolutie, dan in elk geval met een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het hof verklaart het beroep van X B.V. gegrond. A-G Van Hilten heeft de Hoge Raad geadviseerd het door de staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep ongegrond te verklaren

De Hoge Raad is van oordeel dat het hof ten onrechte heeft vastgesteld dat het voldoen aan de criteria voor de fiscale eenheid partijen niet verdeeld houdt, omdat uit de processtukken blijkt dat de inspecteur zowel voor de rechtbank als het hof heeft bestreden dat sprake is van economische verwevenheid. Ook het oordeel van het hof dat voldaan is aan de voorwaarden in de holdingresolutie getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is zonder nadere motivering onbegrijpelijk. De holdingresolutie vereist, aldus de Hoge Raad, dat de betrokken holding zich in sterke mate bezig houdt met de besluitvorming binnen het concern en dat deze holding volledig in dienst staat van het totaal van de bedrijfsvoering van de gelieerde werkmaatschappij(en). Deze voorwaarden zijn volgens de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht. Het hof had moeten vaststellen of de holding binnen het ‘concern’, te weten aan A B.V. als werkmaatschappij/ondernemer, een sturende en beleidsbepalende functie vervulde die uitgaat boven hetgeen voortvloeit uit het aandeelhouderschap in A B.V. Ook het cassatieberoep tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een fiscale eenheid op grond van het gelijkheidsbeginsel slaagt, aangezien op dit punt een noodzakelijke motivering ontbreekt. De Hoge Raad verwijst de zaak ter verdere behandeling met inachtneming van zijn arrest naar Hof Amsterdam.

De Hoge Raad laat zich niet uit over de door de A-G opgeworpen vraag of de beperking van de fiscale eenheid tot btw-ondernemers in strijd is met het Unierecht en beperkt zijn oordeel tot de toepasselijkheid van de holdingresolutie. Uit het arrest blijkt -zij het impliciet- dat de Hoge Raad de holdingsresolutie niet beperkt tot de topholding met meerdere werkmaatschappijen. Hierin volgt de Hoge Raad de conclusie van de A-G. De Hoge Raad vereist voor een beroep op de holdingresolutie wel dat de topholding zich in sterke mate bezig houdt met de besluitvorming binnen het concern en dat deze holding volledig in dienst staat van het totaal van de bedrijfsvoering van de gelieerde werkmaatschappijen. Hieraan is pas voldaan indien de topholding een sturende en beleidsbepalende functie vervult jegens de betreffende werkmaatschappij die verder gaat dan de normale aandeelhoudersrelatie. Het is aan de topholding om dat te bewijzen. Zie