20 februari 2018Sportmanagementdiensten niet verricht aan buitenlandse volleybalclubs, maar aan Nederlandse volleybalspeelsters

Rechtbank Gelderland oordeelt dat de speelsters zijn aan te merken als de afnemers van de door de vof verrichte prestaties, en de plaats van de diensten in Nederland is gelegen.

Feiten

Een sportmakelaar is een van de firmanten van een vof. Een van de activiteiten van de vof bestaat uit het verrichten van werkzaamheden in het kader van sportmanagement. De vof bemiddelt namelijk, via een sportmakelaar, tussen volleybalsters en buitenlandse volleybalclubs. De vof berekent op de facturen echter geen btw. Op twee facturen aan Turkse clubs was geen btw vermeld en op de twee andere facturen (aan een Franse en een Italiaanse club) stond ‘btw verlegd’. Naar aanleiding van een boekenonderzoek is door de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd aan de vof. Volgens de inspecteur had de vof op zijn facturen aan de clubs btw moeten vermelden, omdat de plaats van dienst Nederland was aangezien de vof als dienstverrichter in Nederland was gevestigd. De vof is echter van mening dat de buitenlandse clubs als opdrachtgever moeten worden aangemerkt, zodat de plaats van dienst niet in Nederland is en geen Nederlandse btw verschuldigd is.

Rechtbank Gelderland

Rechtbank Gelderland oordeelt dat voor de vraag wat de plaats van de dienst is, beoordeeld moet worden met wie de vof en in dit geval de sportmakelaar een rechtsbetrekking had, met de clubs of met de speelsters. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de vof is opgetreden als manager van de speelsters, omdat dit volgt uit de contracten van de speelsters. Verder wijst de rechtbank er op dat in diverse contracten is opgenomen dat de speelster moet bepalen aan wie de commissie voor de agent moet worden betaald, terwijl duidelijk is dat de sportmakelaar die agent is. Hieruit volgt dat de clubs weliswaar betalen voor de commissie van de sportmakelaar, maar dat het gaat om een betalingsverplichting van de speelster die door de club wordt overgenomen. Ook is van belang dat de commissieafspraken steeds staan vermeld in de contracten tussen de club en de speelsters. Als X in opdracht van de club zou werken, zou dat niet voor de hand liggen.

Daarnaast is niet gebleken dat de clubs die op de vier facturen staan vermeld, opdracht hebben gegeven aan de sportmakelaar om een speelster te zoeken. Uit de overgelegde e-mails blijkt wel dat er in de loop van de tijd clubs zijn die de sportmakelaar hebben benaderd voor een bepaalde speelster of voor een bepaald type speelster, maar dit is geen overeenkomst van opdracht. Dit benaderen is naar het oordeel van de rechtbank het gevolg van de omstandigheid dat de sportmakelaar, de zaakwaarnemer is van de speelsters. De clubs kunnen de speelsters dus niet rechtstreeks benaderen. De sportmakelaar heeft verklaard dat als er twee clubs om een bepaalde speelster vragen die de sportmakelaar in zijn spelersportefeuille heeft, hij dan samen met de speelster kiest welke club het wordt. Ook daaruit volgt dat de sportmakelaar voor de speelsters optreedt. Bovendien zou de sportmakelaar conflicterende belangen hebben als hij in een dergelijk geval voor beide clubs zou optreden.

De eindconclusie van de rechtbank luidt dat de sportmakelaar primair de belangen behartigt van de speelsters en er dus een rechtsbetrekking bestaat tussen de vof en de speelsters. De vof presteert niet aan de clubs. De speelsters zijn daarom aan te merken als de afnemers van de prestaties en de plaats van de diensten is in Nederland gelegen. De inspecteur heeft terecht btw nageheven.

Wij zijn het eens met de conclusie van de rechtbank. De vraag wie de afnemer van de prestatie is, is van belang binnen de btw, bijvoorbeeld voor de plaats van dienst, de verschuldigdheid van btw en de aftrek van voorbelasting. Uit de jurisprudentie (o.a. outplacement arrest HR, Tolsma HVJ) is naar voren gekomen dat het criterium rechtsbetrekking bepalend is voor het bepalen van de afnemer van de dienst. Een dienst is voor de btw slechts belast wanneer tussen de verrichter en de ontvanger een rechtsbetrekking bestaat, waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld. De vraag is of de factuur een indicatie is voor de aanwezigheid van de rechtsbetrekking. Uit het arrest van de HR van 2 december 2011 volgt dat, indien tegenbewijs geleverd kan worden, de factuur niet leidend is bij het vaststellen van de afnemer van een prestatie. Naar onze mening kan dit tegenbewijs gevonden worden in de Europese rechtspraak (o.a. Paul Newey). Indien een inspecteur kan bewijzen dat de rechtsbetrekking met de afnemer, in casu de afnemer die op de factuur is vermeld, geen recht doet aan de commerciële en economische realiteit, dan is de factuur niet leidend. Naar onze mening is de inspecteur hierin geslaagd en heeft de rechtbank juist geoordeeld. Hier heeft de vof, de sportmakelaar in bijzonder, namelijk de contracten met de speelsters gesloten en de speelster hebben een betalingsverplichting aan de sportmakelaar, ook al wordt deze verplichting door de club overgenomen. Daarnaast zoekt de sportmakelaar contact met de speelsters, niet de clubs zelf en de sportmakelaar kiest samen met de speelsters welke club het wordt.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op