10 januari 2014Splitsing btw op basis van werkelijk gebruik gehele goed

Bij het bepalen van de btw-aftrek voor goederen en diensten die zowel voor btw-belaste als vrijgestelde activiteiten worden gebruikt, dient de btw-ondernemer een splitsing naar omzetverhouding (het pro rata) te maken. Indien het werkelijk gebruik van de goederen en diensten echter afwijkt van de omzetverhouding, dient de mate van aftrek te worden bepaald door het werkelijk gebruik, indien de btw-ondernemer het afwijkende werkelijk gebruik aannemelijk kan maken.

Holding A heeft in 1999 een bestaand pand gekocht, dit pand in 2003 laten slopen en een nieuw pand laten bouwen. Het nieuwe pand bestaat uit kantoorruimte van 360 m² op de begane grond en een woonappartement op de eerste etage. In 2004 is de kantoorruimte verhuurd aan en in gebruik genomen door één van de dochtervennootschappen van A voor makelaarsactiviteiten en hypotheek- en verzekeringsbemiddelingsdiensten. De dochtervennootschappen behalen 58% van de omzet met btw-belaste makelaarsactiviteiten en 42% van de omzet met vrijgestelde hypotheek- en verzekeringsbemiddelingsdiensten. De holding en de dochtervennootschapen vormen een fiscale eenheid voor de btw.

In haar aangifte heeft de fiscale eenheid in 2004 in rekening gebrachte btw voor een deel – namelijk het deel dat toe te rekenen is aan de btw-belaste makelaarsactiviteiten – in aftrek gebracht. De fiscale eenheid heeft de btw-aftrek berekend door de totale vloeroppervlakte van de kantoorruimte te onderscheiden in vloeroppervlakten die voor btw-belaste, voor vrijgestelde en voor zowel btw-belaste als vrijgestelde (gemengde) doeleinden worden gebruikt. De gemengd gebruikte vloeroppervlakten heeft de fiscale eenheid naar rato van de verhouding tussen haar btw-belaste omzet en totale omzet in aanmerking genomen. De inspecteur meent echter dat de fiscale eenheid de btw-aftrek had moeten berekenen voor het geheel op basis van de omzetverhouding van de dochtervennootschappen en heeft daarom een naheffingsaanslag opgelegd.

In deze zaak is door Hof Arnhem geoordeeld dat de fiscale eenheid, door aan te sluiten bij het objectief en nauwkeurig te onderscheiden btw-belaste of vrijgestelde gebruik van de kantoorruimte en door voor de overige gemengd gebruikte ruimte aan te sluiten bij de omzetverhouding, aannemelijk heeft gemaakt dat het werkelijk gebruik afwijkt van de aftrek op basis van de omzetverhouding. In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien – wil er plaats zijn voor het gebruiken van de maatstaf van het werkelijk gebruik – het werkelijk gebruik van het goed als geheel in aanmerking moet worden genomen. Nu de fiscale eenheid geen gegevens heeft aangeleverd waaruit het werkelijk gebruik van de gemengd gebruikte ruimte afzonderlijk objectief en nauwkeurig kan worden bepaald, is het niet mogelijk te bepalen in hoeverre het werkelijk gebruik van de gehele kantoorruimte afwijkt van de omzetverhouding. De fiscale eenheid heeft derhalve niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast, zodat de aftrek moet worden bepaald met behulp van de omzetverhouding.

Zie 10.4 voor meer informatie over de splitsingsregels bij gemengd gebruik.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op