14 april 2014Samenwerkende partijen relaxhuis voor de btw één onderneming?

Een B.V. heeft een exploitatievergunning en een drankwetvergunning voor nachtclub B. De heer C is middellijk aandeelhouder en directeur van deze B.V. De prostituees die werkzaam zijn in de nachtclub, vormen tezamen een maatschap. De maatschap wordt vertegenwoordigd door een stichting, die is opgericht door mevrouw D, een nicht van de heer C. Mevrouw D is bestuurder van zowel de maatschap als de stichting. In 2001 hebben de B.V., de maatschap en de stichting een samenwerkingsovereenkomst gesloten voor de exploitatie van relaxhuis A. In geschil is of deze (rechts)personen tezamen één entiteit vormen.  

In eerste aanleg is de vraag of sprake is van één entiteit door Rechtbank Haarlem ontkennend beantwoord. In hoger beroep oordeelde Hof Amsterdam echter dat wel sprake is van één entiteit. In cassatieberoep staat tussen partijen al vast dat de maatschap en de stichting voor de btw-heffing als een samenwerkingsverband beschouwd moeten worden. De vraag die overblijft, is of ook de B.V. tot dit samenwerkingsverband behoort. 

 

In haar conclusie heeft A-G Van Hilten de Hoge Raad geadviseerd te oordelen dat het hof zijn oordeel dat sprake is van één entiteit, niet voldoende met redenen heeft omkleed. Op de zitting is namelijk (op zijn minst) gesuggereerd dat een afzonderlijke (rechts)verhouding tussen de prostituee en de klant bestaat. In het maatschapscontract lijkt namelijk naar voren te komen dat de klant met een specifieke gastvrouw, die een eigen omzet heeft, een betrekking aangaat. Het hof is hierop in zijn oordeel echter niet ingegaan. De Hoge Raad volgt de conclusie van de A-G en verwijst de zaak naar Hof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing. ?

Zie 1.1 voor meer informatie over het btw-ondernemerschap.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op