19 augustus 2015Rondleidingen in voetbalstadion geen toegangverlening tot museum

Het verzorgen van tours in een voetbalstadion kwalificeert niet als het verlenen van toegang tot een museum, aldus Hof Den Bosch. 

X exploiteert een multifunctioneel gebouwencomplex, bestaande uit een stadion met bijbehorende voorzieningen. In het complex is ook een museum van de voetbalclub gevestigd. X verhuurt het stadion aan derden voor het houden van sportwedstrijden en daarnaast, incidenteel, voor optredens. Verder verzorgt X tours door het complex, op het moment dat er geen evenementen plaatsvinden. De tours bestaan uit een rondleiding door een gids door het complex en na afloop van de rondleiding een bezoek aan het museum. Het is niet mogelijk het museum te bezoeken zonder deelname aan een tour. Naar de mening van X zijn de tour belast met 6% btw. De inspecteur is echter van mening dat geen sprake is van het verlenen van toegang tot openbare musea of verzamelingen, zodat de diensten belast zijn tegen het algemene btw-tarief en heeft daarom naheffingsaanslagen opgelegd. 

In deze zaak is inmiddels uitspraak gedaan door onder andere Rechtbank Haarlem, Hof Amsterdam en de Hoge Raad. Deze laatste heeft de zaak doorverwezen naar Hof Den Haag. Het hof oordeelde dat het verzorgen van een rondleiding door een voetbalstadion met de daarbij behorende voorzieningen (inclusief het museum van een voetbalclub) kwalificeert als het verlenen van toegang tot openbare musea of verzamelingen is in Nederland, zodat X terecht het 6%-tarief heeft toegepast. De staatssecretaris heeft tegen dit oordeel beroep in cassatie aangetekend, omdat hij meent dat het oordeel getuigt van een onjuiste uitleg van de tabelpost. De Hoge Raad heeft dit cassatieberoep gegrond verklaard. De Hoge Raad stelt voorop dat het hof bij zijn oordeel een juiste definitie van het begrip museum als uitgangspunt heeft genomen, namelijk een ruimte waarin een duurzaam samenhangende collectie goederen is uitgestald, waarover het publiek wordt geïnformeerd voor doeleinden van studie, educatie en cultureel genoegen. Wil hiervan echter sprake zijn, dan dienen de goederen speciaal bijeen te zijn gebracht om bezichtigd te worden. In casu is dit naar het oordeel van de Hoge Raad niet het geval. De Hoge Raad heeft der zaak doorverwezen naar Hof Den Bosch. 

Hof Den Bosch heeft recent een oordeel uitgesproken. Het hof overweegt dat aanvaard moet worden dat de tour en het museumbezoek kwalificeren als één ondeelbare prestatie voor de btw. Het hof acht niet aannemelijk dat in het complex, buiten het museum, een collectie van goederen bijeen is gebracht die niet behoort tot de voorwerpen die bij X in gebruik zijn. X is er naar het oordeel van het hof niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de toegang tot het complex in het kader van de tours in hoofdzaak strekt tot het bezichtigen van de in het museum bijeengebrachte collectie van goederen, zodat ter zake van de tours geen sprake is van het verlenen van toegang tot een museum. 

Het beroep van X op het beginsel van fiscale neutraliteit slaagt niet. Er is geen sprake van een dienstverlening die soortgelijk is aan het verlenen van toegang tot een museum. Vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument zijn de bezichtiging van een stadion en een museumbezoek namelijk onvergelijkbare diensten. Er is evenmin sprake van een dienstverlening die soortgelijk is aan het verlenen van toegang tot onder andere attractieparken. Er is immers geen sprake van een ‘primair voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening’, een afbakening die volgens het hof terecht is opgenomen in onderdeel g van Tabel I, post b.14. Vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument staat de bezichtiging van het gebouw als multifunctioneel (sport)complex, al dan niet de thuisbasis van de voetbalclub, voorop en niet het gebruik van culturele diensten of ontspanning zoals bij attractieparken en soortgelijke evenementen of voorzieningen. 

Het hof stelt de inspecteur in het gelijk.

Zie