19 januari 2018Rondleiding in Arena en bezoek Ajaxmuseum één dienst die belast is tegen algemene btw-tarief

Het HvJ oordeelt dat slechts één btw-tarief van toepassing is op de door Stadion Amsterdam cv verzorgde tours in de arena.

Feiten

Stadion Amsterdam cv (hierna: Stadion Amsterdam) exploiteert een multifunctioneel gebouwencomplex, bestaande uit een stadion met bijbehorende voorzieningen. In het complex is ook een museum van de voetbalclub gevestigd. Stadion Amsterdam verhuurt het stadion aan derden voor het houden van sportwedstrijden en daarnaast, incidenteel, voor optredens. Verder verzorgt Stadion Amsterdam tours door het complex op het moment dat er geen evenementen plaatsvinden. De tours bestaan uit een rondleiding door een gids door het complex en na afloop van de rondleiding een bezoek aan het museum. Het is niet mogelijk het museum te bezoeken zonder deelname aan een tour. Naar de mening van Stadion Amsterdam zijn de tours belast met 6% btw. De inspecteur is echter van mening dat geen sprake is van het verlenen van toegang tot openbare musea of verzamelingen, zodat de diensten belast zijn tegen het algemene btw-tarief en heeft daarom naheffingsaanslagen opgelegd.

Procedure

In deze zaak is inmiddels uitspraak gedaan door onder andere Rechtbank Haarlem, Hof Amsterdam en de Hoge Raad. Deze laatste heeft de zaak doorverwezen naar Hof Den Haag. Het hof oordeelde dat het verzorgen van een rondleiding door een voetbalstadion met de daarbij behorende voorzieningen (inclusief het museum van een voetbalclub) kwalificeert als het verlenen van toegang tot openbare musea of verzamelingen is in Nederland, zodat Stadion Amsterdam terecht het 6%-tarief heeft toegepast. De staatssecretaris heeft tegen dit oordeel beroep in cassatie aangetekend, omdat hij meent dat het oordeel getuigt van een onjuiste uitleg van de tabelpost. De Hoge Raad heeft dit cassatieberoep gegrond verklaard. De Hoge Raad stelt voorop dat het hof bij zijn oordeel een juiste definitie van het begrip museum als uitgangspunt heeft genomen, namelijk een ruimte waarin een duurzaam samenhangende collectie goederen is uitgestald, waarover het publiek wordt geïnformeerd voor doeleinden van studie, educatie en cultureel genoegen. Wil hiervan echter sprake zijn, dan dienen de goederen speciaal bijeen te zijn gebracht om bezichtigd te worden. In casu is dit naar het oordeel van de Hoge Raad niet het geval. De Hoge Raad heeft de zaak doorverwezen naar Hof Den Bosch, dat oordeelde dat Stadion Amsterdam er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat de toegang tot het complex in het kader van de tours in hoofdzaak strekt tot het bezichtigen van de in het museum bijeengebrachte collectie van goederen, zodat ter zake van de tours geen sprake is van het verlenen van toegang tot een museum en de inspecteur in het gelijk gesteld moet worden. Stadion Amsterdam heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van het hof.

Bij de behandeling van het derde cassatieberoep heeft de Hoge Raad besloten een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJ EU. In cassatie betoogt Stadion Amsterdam namelijk dat uit diverse arresten van het HvJ blijkt dat het mogelijk is om op een concreet en specifiek element van één prestatie (in dit geval het bezoek aan het museum) het verlaagde btw-tarief toe te passen, wanneer daardoor de goede werking van het btw-stelsel en de functionaliteit van het btw-stelsel niet wordt aangetast. Als deze uitlegging van de arresten juist is, zou dit betekenen dat in het onderhavige geval afzonderlijke toepassing van het 6%-tarief ter zake van het bezoek aan het museum niet op voorhand is uitgesloten. De Hoge Raad heeft vervolgens besloten aan het HvJ de prejudiciële vraag voor te leggen of een samengestelde prestatie, die bestaat uit een rondleiding in een voetbalstadion en een museumbezoek, deels belast kan zijn tegen het verlaagde btw-tarief.

HvJ

Het HvJ oordeelt dat slechts één btw-tarief van toepassing is op de door Stadion Amsterdam verzorgde tours in de Arena. Het HvJ stelt dat wanneer de lidstaten de mogelijkheid wordt gelaten, de verschillende elementen van één enkele prestatie te onderwerpen aan de verschillende btw-tarieven die voor deze elementen gelden, dit tot gevolg zou hebben dat deze prestatie kunstmatig wordt opgesplitst en het gevaar zou ontstaan dat de functionaliteit van het btw-stelsel in gedrang komt. Vervolgens merkt het HvJ op dat het toe te passen tarief wordt bepaald aan de hand van het hoofdelement van de prestatie, ook al is het mogelijk te bepalen hoeveel de vergoeding voor elk element bedraagt binnen de door de consument voor deze prestatie betaalde totale vergoeding. Bovendien zou volgens het HvJ het gevaar bestaan dat afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van fiscale neutraliteit, want twee enkele prestaties, bestaande uit twee of meer onderscheiden elementen, die in alle opzichten soortgelijk zijn, zouden in die situatie onderworpen moeten kunnen aan voor die elementen geldende afzonderlijke tw-tarieven, naargelang het mogelijk is de prijs voor elk van deze onderscheiden elementen te bepalen.

De aangehaalde jurisprudentie van het HvJ (Commissie/Frankrijk en Talacre Beach Caravans Sales ltd) op grond waarvan onder voorwaarden een afzonderlijke toepassing van btw-tarieven op onderdelen van een samengestelde prestatie mogelijk is, is volgens het HvJ niet van toepassing op deze casus. Het HvJ stelt dat in het Talacre Beach Caravan Sales arrest het HvJ uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat de rechtspraak inzake de belastingheffing over één enkele handeling niet geldt voor de vrijstelling met teruggaaf van de voldane belasting als bedoeld in art. 28 van de Zesde Richtlijn. In het Commissie/Frankrijk arrest heeft het HvJ zich met name uitgesproken over de omvang van de bij richtlijn 2006/112 aan de lidstaten geboden beoordelingsvrijheid inzake de selectieve toepassing van een verlaagd tarief. In deze casus is volgens het HvJ echter een ander probleem aan de orde.

Stadion Amsterdam procedeert al sinds 2006 over de vraag of de rondleidingen met een museumbezoek in de Amsterdam Arena zijn belast tegen het 6% tarief of 21% tarief. Na 11 jaar is deze casus eindelijk afgewikkeld, nadat de HR zich meerdere keren over deze zaak moest uitspreken. De HR kwam maar niet tot een finaal oordeel. De door de HR aangehaalde jurisprudentie van het HvJ (Commissie/Frankrijk en Talacre Beach Caravans Sales ltd.) op grond waarvan onder voorwaarden een afzonderlijke toepassing van btw-tarieven op onderdelen van een samengestelde prestatie mogelijk is, dateert al uit 2006 en 2010. Naar onze mening is het apart dat de HR de prejudiciële vraag niet eerder stelde. Wel lijkt beantwoording van de vraag door het HvJ gezien de onduidelijkheid die bestaat na deze arresten, niet volkomen nutteloos te zijn. In dit arrest neemt het HvJ de twijfels weg en oordeelt dat in het Talacre arrest voornamelijk de toepassing van art. 28 Zesde Richtlijn een rol speelde, wat in deze casus niet aan de orde is en dat in het Commissie/Frankrijk arrest een ander probleem aan de orde was. Indien het HvJ had geoordeeld dat op deze samengestelde prestatie deels een verlaagd tarief van toepassing kan zijn, zou het einde zoek zijn geweest. Naar onze mening ontstaat er dan een algemeen toepasbare en in praktijk complexe regel, die het leerstuk van de samengestelde prestatie behoorlijk buitenspel zet – om een voetbalterm te gebruiken. De Hoge Raad zal deze wedstrijd na 12 jaar af kunnen fluiten.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op