13 oktober 2017Recht op btw-teruggaaf leasinggever bij ontbinding leaseovereenkomst

Art. 90, lid 1 btw-richtlijn bepaalt dat de maatstaf van heffing wordt verlaagd in geval van annulering, verbreking ontbinding of gehele of gedeeltelijk niet-betaling. Op grond van art. 90, lid 2 btw-richtlijn kunnen lidstaten hiervan afwijken in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de prijs en verlaging van de maatstaf van heffing uitsluiten. Het HvJ heeft beslist dat een leaseovereenkomst die wordt ontbonden wegens niet-betaling van de door de leasingnemer verschuldigde vergoedingen onder lid 1 valt. Dit betekent dat de maatstaf van heffing wordt verminderd en de leasinggever recht heeft op teruggaaf van btw.

Feiten
Lombard, een Hongaarse vennootschap, heeft leasediensten verricht in de jaren 2006, 2007 en 2008, waarbij zij overeenkomsten tot financiële leasing van verschillende activa heeft gesloten. Op het tijdstip van de overdracht van het bezit van de betrokken goederen heeft Lombard aan de leasingnemers het totale bedrag van de leasevergoedingen, inclusief btw, in rekening gebracht. Op dat moment is haar verplichting om de btw te betalen ontstaan. Lombard heeft de overeenkomst van een aantal van haar cliënten ontbonden wegens niet-betaling van een deel van het verschuldigde bedrag en bijgevolg de activa van die cliënten teruggekregen. Lombard heeft hierdoor in 2010 en 2011 gewijzigde facturen uitgereikt waarin zij de tegenprestatie, de maatstaf van heffing en de verschuldigde btw in vergelijking met de eerdere facturen overeenkomstig het daadwerkelijke gebruik heeft verlaagd en zij heeft het daaruit voortvloeiende verschil in mindering gebracht op de over februari, maart en mei 2011 verschuldigde btw.

Procedureverloop
De Belastingdienst heeft bij Lombard een belastingcontrole verricht om de btw-aangiften voor het tijdvak van januari tot en met juli 2011 te onderzoeken. De Belastingdienst heeft een verschil in belasting vastgesteld en kwalificeert dat verschil als belastingschuld. Lombard krijgt een fiscale boete en een boete wegens te laat betalen opgelegd. In bezwaar en in beroep is in geschil of  art. 90, lid 1 btw-richtlijn de lidstaten toestaat het recht op verlaging van de maatstaf van heffing te ontzeggen in geval van ontbinding van een overeenkomt voor de levering van goederen. De Hongaarse rechter heeft aan het HvJ de vraag gesteld of onder het in art. 90, lid 1 btw-richtlijn vermelde begrip ‘ontbinding’ ook valt het geval waarin de leasinggever in het kader van een overeenkomst tot financiële leasing niet langer de betaling van de leasevergoeding door de leasingnemer kan eisen ,omdat de leasinggever die overeenkomst heeft ontbonden wegens contractbreuk door de leasingnemer.  Zo ja , dan vraagt de Hongaarse rechter het HvJ of de leasinggever op grond van art. 90, lid 1 btw-richtlijn ook het recht om de maatstaf van heffing te verlagen wanneer de nationale wetgever gebruik heeft gemaakt van de in art. 90, lid 2 btw-richtlijn bedoelde mogelijkheid.

HvJ
Het HvJ oordeelt dat de afwijkingsmogelijkheid van art. 90, lid 2 btw-richtlijn enkel geldt voor gevallen waarin niet-betaling van de tegenprestatie moeilijk te verifiëren of niet-definitief is. Anders dan de ontbinding of de nietigverklaring van de overeenkomst, plaatst de niet-betaling van de aankoopprijs de partijen immers niet terug in hun oorspronkelijke toestand. De koper blijft de overeengekomen prijs verschuldigd. De begrippen ‘annulering, verbreking en ontbinding’ in art. 90, lid 1 btw-richtlijn verwijzen daarentegen naar situaties waarin de verplichting van de schuldenaar om zijn schuld af te lossen volledig heeft opgehouden te bestaan of is vastgesteld op een definitief bepaald niveau.

Op de eerste vraag moet volgens het HvJ worden geantwoord dat de begrippen ‘annulering, verbreking en ontbinding’ in art. 90, lid 1 btw-richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat daaronder ook het geval valt waarin de leasinggever, in het kader van een overeenkomst tot financiële leasing, niet langer de betaling van de leasevergoeding door de leasingnemer kan eisen, omdat hij die overeenkomst heeft ontbonden wegens contractbreuk door de leasingnemer. Daarnaast oordeelt het HvJ dat indien een leaseovereenkomst definitief is beëindigd wegens niet-betaling van de door de leasingnemer verschuldigde vergoedingen, de leasinggever zich tegenover een lidstaat op art. 90, lid 1 btw-richtlijn kan beroepen om een verlaging van de maatstaf van heffing te verkijgen, ook al wordt die situatie volgens het toepasselijke nationale recht als niet-betaling in de zin van lid 2 van dat artikel aangemerkt en is volgens dat recht in geval van niet-betaling geen verlaging van de maatstaf van heffing mogelijk.

 Het HvJ heeft beslist dat een overeenkomst die wordt ontbonden wegens niet-betaling van de door de leasingnemer verschuldigde vergoedingen, de leasinggever het recht geeft op btw-teruggaaf. Wij onderschrijven dit oordeel, omdat de strekking van art. 90, lid 1 btw-richtlijn is dat het bedrag waarover btw verschuldigd is, de maatstaf van heffing, aansluit bij de daadwerkelijk ontvangen tegenprestatie. Dat de grond voor de ontbinding van de betrokken overeenkomst in casu de niet-betaling van de leasetermijnen door de leasingnemer is, doet hieraan niet af. Door de ontbinding van de leaseovereenkomst is immers duidelijk dat de leasinggever de resterende leasetermijnen niet meer ontvangt. Het arrest van het HvJ is in lijn met de arresten Almos en Goldsmiths waarin het HvJ reeds heeft aangegeven dat art. 90 lid 1 btw-richtlijn rechtstreekse werking heeft (d.w.z.: een btw-ondernemer kan hierop een rechtstreeks beroep doen) en art. 90 lid 2 btw-richtlijn niet geldt in geval van annulering, verbreking, ontbinding of prijsvermindering. In Nederland gelden voor de gehele of gedeeltelijke niet-betaling overigens dezelfde regels als voor de annulering, verbreking, ontbinding of prijsvermindering (zie 4.14 en 4.15).

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op