20 september 2017Prinsjesdag 2017: de btw-maatregelen voor 2018

Het demissionair kabinet heeft de fiscale plannen voor 2018 gepresenteerd. BTW-PLAZA heeft de btw-maatregelen voor 2018 voor u op een rij gezet.

Dit jaar is Prinsjesdag net wat even anders dan de voorgaande jaren, want er is nog geen nieuw kabinet. Daarom regeert het huidige demissionaire kabinet nog door en behandelt zij de ‘lopende zaken’ die nodig zijn om alles draaiende te houden. Zij maakt geen nieuwe (fiscale) plannen waar extra geld voor nodig is, want dat is aan het nieuwe kabinet.

De fiscale plannen voor 2018 zijn verdeeld over vier wetsvoorstellen, namelijk: Belastingplan 2018, Overige Fiscale Maatregelen 2018, de Wet afschaffing btw landbouwvrijstelling en de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling. BTW-PLAZA zet de btw-maatregelen in deze wetsvoorstellen voor u op een rij.

Aanscherping definitie geneesmiddelen
De toepassing van het verlaagde btw-tarief voor geneesmiddelen in Tabel I, post a.6 behorende bij de Wet OB 1968 wordt aangescherpt door de opname van de voorwaarde van “een handelsvergunning zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet”. Deze aanscherping beoogt de definitie van het begrip ‘geneesmiddel’ voor de btw weer in overeenstemming te brengen met het doel van het verlaagde btw-tarief en de maatschappelijke opvatting over hetgeen een geneesmiddel is. Hiermee wordt de niet-beoogde verruiming van de reikwijdte van het verlaagde btw-tarief voor geneesmiddelen voor wat betreft bepaalde zonnebrandmiddelen met UVA- of UVB-filter en natriumfluoridehoudende tandpasta’s een halt toegeroepen.

Vanaf 1 januari 2018 zullen de geneesmiddelen niet onder het verlaagde btw-tarief vallen indien zij niet beschikken over een handelsvergunning als bedoeld in de Geneesmiddelenwet of expliciet daarvan zijn vrijgesteld. Producten waarvoor een handelsvergunning is afgegeven, worden ingeschreven in het Geneesmiddeleninformatiebank (te raadplegen op https://www.geneesmiddeleninformatiebank.nl/nl/). Dit zal betekenen dat het verlaagde btw-tarief voor geneesmiddelen niet (meer) kan worden toegepast bij cosmetische, reinigende en verzorgende producten en andere farmaceutische producten die verhandeld worden met een vergunning als medische hulpmiddelen. Voorbeelden van deze producten zijn sommige (baby)crème, mondwater, insectenspray en anti-roos shampoo, sommige middelen tegen aambeien, acne, blaasontsteking, brandend maagzuur, darmkrampjes, diarree, eczeem, hoesten, hoofdluis, kalknagel, keelpijn, littekens, vaginale (schimmel)infecties, verkoudheid, verstopte neus en wratten.

Voor onze mening met betrekking tot dit voorstel verwijzen wij naar onze reactie in het kader van de internetconsultatie over deze maatregel.

Aanpassing tariefbepalingen btw met betrekking tot zeeschepen
Post a.3 van Tabel II behorende bij de Wet OB 1968 is te ruim geformuleerd, omdat het nultarief is gekoppeld aan zogenoemde zeeschepen, zonder dat daarbij de eis is gesteld dat die zeeschepen ook daadwerkelijk worden gebruikt voor de vaart op volle zee. Dit betekent dat in gevallen waarin een zeeschip niet voor commerciële doeleinden zal worden gebruikt voor de vaart op volle zee, de levering van dat zeeschip belast is met 21% in plaats van het nultarief. Deze aanpassing zal ook worden doorgevoerd bij het nultarief voor de leveringen van goederen en diensten die worden verricht voor luchtvaartuigen die door luchtvaartmaatschappijen gebruikt worden voor het betaalde internationale vervoer.

Tabel II, posten a.3, a.4 en b.1 behorende bij de Wet OB worden opnieuw ingericht.

In post a.3 van Tabel II wordt de eis toegevoegd dat het nultarief alleen toegepast mag worden voor de levering van goederen bestemd voor de bevoorrading van schepen voor de vaart op volle zee. Het gaat dan om de bevoorrading van schepen waarmee tegen betaling passagiersvervoer plaatsvindt of die worden gebruikt voor de uitoefening van een industriële, handels- of visserijactiviteit. Met het begrip volle zee wordt in het kader van deze post gedoeld op alle zeegebieden buiten de 12-mijlszone van een land.

Voor luchtvaartuigen geldt dat op de levering van goederen voor de bevoorrading van luchtvaartuigen het nultarief mogen worden toegepast die worden gebruikt door luchtvaartmaatschappijen die zich hoofdzakelijk (minimaal 70%) toeleggen op het betaalde internationale vervoer van personen of goederen. Het gaat daarbij om de status van de luchtvaartmaatschappij die het luchtvaartuig gebruikt en niet om de status van een bepaald luchtvaartuig zelf.

Post a.4 van Tabel II gaat over de toepassing van het nultarief over de levering van de schepen/luchtvaartuigen zelf en de levering van voorwerpen die met deze vast verbonden zijn of die voor hun exploitatie dienen. Met de bedoelde voorwerpen wordt gedoeld op goederen die in bedoelde schepen/luchtvaartuigen worden verwerkt of die daarin of daarop blijvend worden aangebracht, alsmede op goederen die blijvend deel gaan uitmaken van de losse inventaris van die schepen/luchtvaartuigen. De levering van deze voorwerpen was eerder niet expliciet opgenomen in de tabelpost. Er was goedgekeurd dat deze voorwerpen (als boordbenodigdheden) werden aangemerkt als goederen voor de bevoorrading van zeeschepen/luchtvaartuigen en als zodanig onder de toepassing van het nultarief vielen.

Post b.1 van Tabel II wordt opnieuw ingericht en gesplitst in de onderdelen a t/m d. Het nultarief wordt ook van toepassing verklaard op verbouwing, reparatie, onderhoud en bevrachting en verhuur van voormelde zeeschepen. Daaronder valt een groot aantal diensten, zoals onderhoudswerkzaamheden en herstellingen aan zeeschepen. Maar ook het slepen, beloodsen en bergen van bedoelde schepen valt onder het nultarief, eveneens het los- en vastmaken van de zeeschepen in havens. Ook voor verhuur, reparatie en onderhoud van de voorwerpen die met de bedoelde schepen zijn verbonden. Deze wordt ook naar analogie toegepast voor luchtvaartuigen. Daarnaast is het nultarief ook van toepassing op diensten die worden verricht voor de rechtstreekse behoefte van de bedoelde schepen/luchtvaartuigen en hun lading. Daarbij kan het gaan om het tellen, wegen, bemonsteren en dergelijke door een controlebedrijf. Ook is het nultarief van toepassing op het verrichten van douaneformaliteiten bijv. t.a.v. goederen die de EU zijn binnengekomen.

Nederland heeft deze aanpassingen voorgesteld om te voorkomen dat de Europese Commissie een inbreukprocedure aanspant tegen Nederland. Met deze voorgestelde maatregelen is die dreiging afgewend.

Nieuwe aansprakelijkheidsbepaling voor pand- en hypotheekhouders
Er wordt per 1 januari 2018 een nieuwe aansprakelijkheidsbepaling geïntroduceerd (art. 42d IW 1990) voor pand- en hypotheekhouders en executanten. De voorgestelde maatregel biedt, in de vorm van een aansprakelijkheidsbepaling, de Belastingdienst de mogelijkheid om de inning van btw veilig te stellen die verschuldigd is bij de verkoop van verpande of verhypothekeerde zaken of van een zaak waarop beslag is gelegd.

Dit betekent dat wanneer de pandhouder of de hypotheekhouder het verpande of verhypothekeerde zaak verkoopt, zij aansprakelijk zijn voor het bedrag dat ter zake van de verkoop van deze zaak aan btw is verschuldigd. De plicht tot het betalen van de btw blijft rusten op de belastingschuldige wiens zaken worden geleverd. In het geval dat de belastingschuldige niet betaalt, mag de Belastingdienst voortaan de pand- of hypotheekhouder of executant die zich heeft verhaald op het door de koper betaalde bedrag inclusief de btw aansprakelijk stellen voor het bedrag aan niet-betaalde btw. Deze maatregeling werkt in die zin materieel hetzelfde als leveringen die onder de verleggingsregeling van art. 12 lid 5 Wet OB vallen.

De nieuwe aansprakelijkheidsbepaling is zowel van toepassing op leveringen die binnen faillissement als op leveringen die buiten faillissement worden gedaan. Voor executanten geldt echter, anders dan voor pand- en hypotheekhouders, dat de gelegde beslagen vervallen zodra het faillissement wordt uitgesproken. De aansprakelijkheidsbepaling zal dus niet gelden voor executanten binnen een faillissement. Binnen faillissement betreft het derhalve enkel pand- en hypotheekhouders.

Het wetsvoorstel Wet afschaffing van de btw-landbouwregeling 
Per 1 januari 2018 wordt de landbouwregeling (zie 11.3) afgeschaft, omdat uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Agro, visserij-, en voedselketens blijkt dat deze regeling onvoldoende bijdraagt aan de beleidsdoelen. De afschaffing van de landbouwregeling betekent dat de landbouwers vanaf 1 januari 2018, net als andere ondernemers, over hun prestaties btw dienen te voldoen en btw over de aan hen verrichte prestaties kunnen terugvragen.

De afschaffing betekent tevens het vervallen van een beperkt aantal posten in Tabel I (a.5, a.32, b.13, en b.18) en de hiermee samenhangende toelichtingen (en goedkeuringen) in het beleidsbesluit “Omzetbelasting. Toelichting Tabel I”, betreffende artikelen in de Uitvoeringsbeschikking en het Beleidsbesluit “Omzetbelasting. Landbouw”.

Er is een overgangsregeling getroffen voor landbouwers die tot 1 januari 2018 onder de landbouwregeling vielen en investeringsgoederen hebben aangeschaft.

  • Met betrekking tot investeringsgoederen die vóór 1 januari 2018 reeds in gebruik zijn genomen, geldt volgens de bestaande herzieningsregels dat het niet mogelijk is om de aftrek in één keer te herzien, maar wordt deze over een aantal jaren verspreid. In dit voorstel wordt echter bepaald dat onder bepaalde voorwaarden deze herziening in één keer moet plaatsvinden voor de resterende herzieningsperiode in het eerste belastingtijdvak van 2018.
  • Voor goederen en diensten (inclusief investeringsgoederen) die vóór 1 januari 2018 zijn aangeschaft, maar op 1 januari 2018 nog niet in gebruik zijn genomen, bepaalt het voorstel dat de aftrek van de in rekening gebrachte btw in het eerste belastingtijdvak van 2018 plaatsvindt overeenkomstig de (gewijzigde) bestemming van deze goederen en diensten.

 Deze maatregel is al eerder aangekondigd. Op deze maatregel is aan te merken dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen de grote(re) landbouwers, voor wie het voeren van een administratie en de bijbehorende btw-verplichtingen minder problematisch is, en de kleine landbouwers. Naar onze mening zou het verstandiger zijn om de landbouwregeling alleen af te schaffen in combinatie met een zodanige wijziging van de kleine ondernemersregeling dat de landbouwers met een beperkte jaaromzet – ongeacht hun rechtsvorm – buiten de reikwijdte van de btw blijven.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op