26 april 2019Prejudiciële vragen inzake verlaagd btw-tarief voedingsmiddelen

Inleiding

Voedingsmiddelen vallen onder het verlaagde btw-tarief op basis van art. 9, lid 2 onderdeel a jo tabel 1 post a1 Wet OB. Het gaat dan om:

1. eet- en drinkwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie;
2. producten die kennelijk zijn bestemd om te worden aangewend voor de bereiding van de onder 1. bedoelde eet-en drinkwaren en daarin geheel of ten dele opgaan;
3. producten die zijn bestemd om te worden aangewend als aanvulling op, dan wel ter vervanging van de onder 1. bedoelde eet-en drinkwaren, met dien verstande dat alcoholhoudende dranken niet tot de voedingsmiddelen worden gerekend.

De meeste voedingsmiddelen kunnen worden gerangschikt onder 1. De onderdelen 2 en 3 zijn opgenomen om te bereiken dat deze producten, als zij niet rechtstreeks kunnen worden aangemerkt als eet-en drinkwaren, ook vallen onder het begrip ‘voedingsmiddelen’.

Feiten

Een ondernemer exploiteert een seksshop. De ondernemer verkoopt onder meer (seks)lustopwekkende middelen zoals capsules Libidoforte, spray Rush, druppels Spanish Fly. Deze producten dienen voor oraal gebruik en bevatten ook bestanddelen – in hoofdzaak van plantaardige en/of dierlijke afkomst – die eigen zijn aan voor menselijk gebruik bestemde voedingsmiddelen.

Hoge Raad

De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld over de begrippen ‘levensmiddelen voor menselijke consumptie’ en ‘producten die gewoonlijk zijn bestemd ter aanvulling of vervanging van levensmiddelen’. De Hoge Raad vraagt zich af of onder het begrip ‘levensmiddelen voor menselijke consumptie’ moet worden verstaan alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord vraagt de Hoge Raad zich af hoe dan invulling moet worden gegeven aan dit begrip. Indien bepaalde eet-of drinkbare producten geen levensmiddelen voor menselijke consumptie zijn, aan de hand van welke criteria moet dan worden beoordeeld of deze producten kunnen worden aangemerkt als producten die gewoonlijk zijn bestemd als aanvulling op of vervanging van levensmiddelen. Deze zaak wordt geschorst totdat het HvJ deze vragen heeft beantwoord.

Wij zijn van mening dat de Hoge Raad de zaak zelf had kunnen afdoen en geen prejudiciële vragen had hoeven te stellen aan het HvJ. De vraag of een goed of dienst aan het verlaagde tarief moet worden onderworpen, werd in Nederland van oudsher bepaald door de plaats die dat goed of die dienst in de huishouding inneemt. Het idee was dat goederen en diensten die in het huishoudbudget van de sociaal zwakkeren een relatief grote plaats innemen aan een lager tarief onderworpen zouden moeten worden. Tot de hier bedoelde ‘eerste levensbehoeften’ behoren zo goed als alle goederen die dagelijks door brede lagen van de bevolking worden gebruikt. Zo zijn voedingsmiddelen op basis van post a.1. van Tabel 1 Wet OB aan het verlaagde tarief onderworpen. Wij zouden lustopwekkende middelen niet onmiddellijk als ‘eerste levensbehoefte’ (voedingsmiddel) bestempelen. Voedingsmiddelen en lustopwekkende middelen liggen naar onze mening ver uit elkaar en zijn geen soortgelijke goederen. Mogelijk geeft het HvJ in haar uitspraak meer handvatten aan de invulling van de begrippen ‘levensmiddelen voor menselijke consumptie’ en ‘producten die gewoonlijk zijn bestemd ter aanvulling of vervanging van levensmiddelen’. Bovenstaande is echter maar de vraag. Wij verwachten namelijk dat het HvJ ‘slechts’ ingaat op de vraag of lustopwekkende middelen onder het verlaagde btw-tarief vallen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op