28 juli 2016Per 2017 vereenvoudiging btw-teruggaaf oninbare debiteuren

Het Ministerie van Financiën heeft een conceptregeling gepubliceerd op grond waarvan de regels voor het terugvragen van btw voor oninbare debiteuren vanaf 2017 worden vereenvoudigd.

Het Ministerie van Financiën heeft onlangs een conceptregeling gepubliceerd om het terugvragen van btw op oninbare vorderingen vanaf 2017 te vereenvoudigen. Op grond van deze regeling wordt art. 29 Wet OB aanzienlijk gewijzigd. In de eerste plaats wordt de tekst van art. 29, lid 1 Wet OB meer in overeenstemming gebracht met art. 90, lid 1 btw-richtlijn. Daarnaast wordt de btw-teruggaafregeling van art. 29 Wet OB, zoals gezegd, ook vereenvoudigd. 

De eerste vereenvoudiging in het recht op btw-teruggaaf bij oninbare vorderingen is de introductie van een non-betalingsvermoeden. Dit vermoeden houdt in dat de belastingplichtige een verzoek om teruggaaf van de in rekening gebrachte btw mag indienen indien en voor zover de in rekening gebrachte vergoeding voor een levering of dienst één jaar na het opeisbaar worden nog steeds niet is betaald. Omgekeerd geldt dat de afnemer de in rekening gebrachte btw weer verschuldigd wordt indien en voor zover de factuur na een jaar nog niet is betaald. Wordt na de termijn van een jaar alsnog (deels) betaald dan wordt de teruggevraagde btw in zoverre weer verschuldigd respectievelijk ontstaat voor dit bedrag weer recht op btw-aftrek. Voor vorderingen die voor 1 januari 2017 opeisbaar zijn geworden, kan de belastingplichtige op 1 januari 2018 verzoeken om een btw-teruggaaf indien en voor zover de vorderingen op dat moment nog niet zijn betaald. Door de introductie van dit non-betalingsvermoeden is het na het verstrijken van één jaar niet langer nodig om aannemelijk te maken dat de debiteur de vergoeding niet heeft betaald en ook niet zal betalen. De tweede vereenvoudiging van de teruggaafregeling van art. 29 Wet OB is dat het teruggaafverzoek niet langer via een afzonderlijk verzoek moet worden ingediend, maar dat dit teruggaafverzoek in de aangifte kan worden gedaan. De derde vereenvoudiging is dat bij een overdracht van een (deel van een) vordering aan een andere belastingplichtige (bijv. een factoor) de andere belastingplichtige voor (dat deel van) de vordering in de plaats treedt van de overdrager.

Het Ministerie van Financiën heeft de conceptregeling ter consultatie gepubliceerd. Tot 14 augustus a.s. is het mogelijk om op de conceptregeling te reageren. 

De voorgestelde regeling is voor het bedrijfsleven een welkome vereenvoudiging. De introductie van het non-betalingsvermoeden na het verstrijken van een jaar voorkomt discussies over de vraag of in het tijdvak waarin om teruggaaf is verzocht vaststaat dat de afnemer niet meer zal betalen. In de praktijk blijkt dit voor een belastingplichtige vaak lastig te bewijzen, zolang er (nog) geen schriftelijk bewijs is (bijv. van de curator of de afnemer) dat hij niets meer van de openstaande vordering betaald krijgt. Ook de mogelijkheid om de btw terug te vragen in de aangifte is voor het bedrijfsleven een welkome vereenvoudiging. Sinds 2005 moeten verzoeken om teruggaaf van btw bij oninbare debiteuren volgens de Belastingdienst per brief bij de inspecteur worden ingediend. Overigens is het de vraag of dit standpunt juist is, aangezien uit art. 31 Wet OB volgt dat een verzoek om teruggaaf in de aangifte moet plaatsvinden. Ten slotte achten wij de indeplaatstreding van de belastingplichtige ‘overnemer’ van de openstaande vordering een wenselijke vereenvoudiging. Thans is onder voorwaarden goedgekeurd dat een factoor(maatschappij) verzoekt om teruggaaf van de btw op oninbare debiteuren. Hiervoor dient de factoormaatschappij een teruggaafverzoek op naam van de oorspronkelijke schuldeiser in te dienen en dient zij te beschikken over een machtiging. Dit is onnodig omslachtig. De voorgestelde indeplaatstreding geldt overigens niet alleen voor factoormaatschappijen, maar voor ieder belastingplichtige die een vordering overneemt. Uit de conceptregeling wordt niet duidelijk hoe omgegaan moet worden met de overdracht van een (deels) openstaande vordering aan een niet-belastingplichtige. Heeft die geen recht op teruggaaf of moet een niet-belastingplichtige wel een afzonderlijk verzoek indienen bij de inspecteur? Voor meer informatie over art. 29 Wet OB zie 4.14 (teruggaaf bij niet-betaling afnemer) en 4.15 (teruggaaf bij prijsvermindering en terugname goederen).  

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op