28 maart 2017Parkeren bij Slagharen belast met 21% btw

De verhuur van parkeerruimte voor voertuigen is uitgezonderd op grond van art. 11, lid 1, onderdeel b, 3° Wet OB. Dit betekent dat het algemene btw-tarief van 21% van toepassing is op het ter beschikking stellen van parkeerruimte voor voertuigen. Attractieparken exploiteren vaak een parkeerterrein vlak bij de ingang en willen graag dat het aanbieden van parkeergelegenheid opgaat in het verlenen van toegang tot een attractiepark (belast met 6% btw). In deze zaak is in geschil of het gelegenheid geven tot parkeren door attractiepark Slagharen belast is met 21% of 6% btw.

De feiten in deze zaak zijn als volgt. Attractiepark Slagharen beschikt over een parkeerterrein tegenover de hoofdingang. Het parkeerterrein is niet omheind en de in- en uitrit zijn voorzien van slagbomen. Een parkeerticket kost € 7,50 en kan worden gekocht via de automaat op het parkeerterrein, bij de kassa van het attractiepark of bij de receptie van het vakantiepark. Slagharen heeft over de parkeergelden 21% btw voldaan. De vraag is of het parkeren op het parkeerterrein als een bijkomende dienst bij het verlenen van toegang tot de parken moet worden gezien en daarmee in het verlaagde btw-tarief deelt.

Rechtbank Gelderland stelt voorop dat op grond van vaste jurisprudentie van het HvJ het de hoofdregel is dat elke prestatie normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd. Hierop bestaan twee uitzonderingen. Er is sprake van één enkele prestatie wanneer de elementen of handelingen zo nauw met elkaar zijn verbonden dat zij één enkele ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Daarnaast kan ook sprake zijn van één prestatie wanneer een of meerdere elementen geacht moeten worden de hoofdprestatie te vormen, terwijl de andere elementen beschouwd moeten worden als bijkomstig, die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Een dienst is bijkomstig als het voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om de hoofdprestatie zo aantrekkelijk mogelijk te maken.

Zowel Slagharen als de inspecteur zijn het erover eens dat geen sprake is van één enkele ondeelbare economische prestatie. De rechtbank hoeft daarom alleen te beoordelen of sprake is van een hoofddienst en een bijkomstige dienst. De rechtbank oordeelt dat parkeren een doel op zich is en niet een middel is om het eigenlijke bezoek aan de parken onder de best mogelijke voorwaarden te genieten. Het parkeren heeft immers altijd een relatie tot een reisdoel: een consument die met de auto ergens naartoe gaat, zal altijd de behoefte hebben om de auto te parkeren. Bovendien acht de rechtbank van belang dat er een aparte vergoeding wordt berekend voor het parkeren en dat deze vergoeding relatief hoog is vergeleken met de toegangsprijzen, waardoor het parkeren bij de parken niet als bijkomend kan worden gezien, maar moet worden beschouwd als een zelfstandige prestatie. Het verlaagde tarief kan dus niet worden toegepast. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

 De rechtbank heeft de motivatie-hygiëne theorie van Frederick Irving Herzberg gebruikt voor het beoordelen van de vraag of de toegang tot de (attractie)parken door de parkeergelegenheid onder de beste voorwaarden genoten kon worden. Deze theorie houdt in dat mensen op twee manieren kunnen worden beïnvloed: door motivatiefactoren en hygiënefactoren. Motivatiefactoren zijn intrinsiek aan de handeling en leiden tot meer tevredenheid, terwijl hygiënefactoren betrekking hebben op de context en ontevredenheid wegneemt. Het parkeren is een hygiënische voorwaarde, omdat het alleen betrekking heeft op de context en niet tot meer tevredenheid kan leiden bij het eigenlijke bezoek aan de parken. De rechtbank is van mening dat alleen een motivatiefactor een middel kan zijn om de hoofdprestatie onder de beste voorwaarden te genieten. Hoewel de verwijzing naar deze theorie vindingrijk te noemen is, volgt uit het Servicecertificaat-arrest dat ook bij een zogenoemde hygiënefactor sprake kan zijn van een bijkomstige prestatie. Hierbij moet wel aangetekend worden dat de rechtbank de lat voor de kwalificatie als bijkomstige prestatie hoger legt door, onder verwijzing naar de verschillende taalversies van het CPP-arrest van het HvJ, voor een bijkomstige prestatie niet beslissend te achten of zij de hoofdprestatie aantrekkelijker maakt, zoals de Hoge Raad eist, maar of zij een middel is om de hoofdprestatie onder de beste voorwaarden te genieten. Wat hiervan zij, de uitkomst in deze zaak is niet verrassend en in lijn met eerdere jurisprudentie. Zo heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het parkeren bij de Efteling belast is met 21% btw, omdat voor het parkeren een losse vergoeding werd betaald voor een parkeermunt die bij de kassa te koop was. Vanuit een modale consument bezien was dan sprake van twee afzonderlijke prestaties. Ten aanzien van het parkeren bij de Hoge Veluwe heeft Hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat het parkeren een zelfstandige prestatie is, omdat de bezoekers de keuze hebben tussen diverse vervoermiddelen waarmee hij het park kan bereiken. Een bezoeker die met de auto komt, weet dat hij deze ergens moet parkeren als hij niet met de auto het park in wil rijden.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op