24 januari 2018Parkeren bij Slagharen belast met 21% btw

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het parkeren bij het attractiepark Slagharen een zelfstandige prestatie is, zodat het verlaagde btw-tarief niet van toepassing is.

Feiten

Attractiepark Slagharen (hierna: attractiepark) beschikt over een parkeerterrein tegenover de hoofdingang. Het parkeerterrein is niet omheind en de in- en uitrit zijn voorzien van slagbomen. Een parkeerticket kost € 7,50 en kan worden gekocht via de automaat op het parkeerterrein, bij de kassa van het attractiepark of bij de receptie van het vakantiepark. Slagharen heeft over de parkeergelden 21% btw voldaan. Bij het attractiepark is ook een vakantiepark aanwezig. Vakantiegasten die op het vakantiepark verblijven kunnen één auto bij hun huisje parkeren, desgewenst mogen de gasten hun auto ook op de parkeerplaats bij het attractiepark parkeren. Primair is in deze zaak in geschil of het gelegenheid geven tot parkeren door attractiepark Slagharen belast is met 21% of 6% btw. Subsidiair is in het geschil of het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden.

Procedure

Volgens Rechtbank Gelderland is het parkeren geen bijkomende dienst. De rechtbank stel dat er, gezien vanuit de modale consument, sprake is van een zelfstandige prestatie, waardoor het verlaagde tarief niet kan worden toegepast.

Hof Arnhem-Leeuwarden

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat voor de modale bezoeker de gelegenheid tot parkeren een doel op zich is. Een bezoeker heeft de keuze tussen diverse vervoermiddelen waarmee hij het attractiepark kan bereiken. Een bezoeker die met de auto naar het attractiepark komt, weet dat hij die auto niet zo maar ergens kan achterlaten. De tijdelijke bestemming van de auto is voor de bezoeker een behoefte op zich, en het voorzien in deze behoefte door het bieden van gelegenheid tot parkeren is een zelfstandige prestatie, die niet bijkomend is ten opzichte van het verlenen van toegang tot het attractiepark, aldus het hof. Het hof wijst er daarbij ook op dat bezoekers kennelijk toch bereid zijn om een vergoeding voor het parkeren te betalen, ondanks het feit dat in het dorp op 500 à 600 meter afstand gratis parkeergelegenheid aanwezig is. Met deze uitkomsten kan volgens het hof niet worden gezegd dat het parkeren bijkomend is. De conclusie van het hof luidt dat het geven van gelegenheid tot parkeren bij het attractiepark als zelfstandige hoofdprestatie is onderworpen aan het algemene btw-tarief.

Subsidiair is in geschil of het attractiepark zich terecht beroept op het gelijkheidsbeginsel. Het hof oordeelt dat geen sprake is van feitelijk gelijke gevallen. Het parkeren bij het attractiepark gebeurt overdag, tijdens het verblijf in het attractiepark, terwijl het parkeren van de auto bij de in het besluit genoemde bedrijven normaal gesproken langer duurt, ook tijdens de nacht (of meerdere nachten). Bovendien is een auto bij een vakantieverblijf een noodzakelijk vervoersmiddel, omdat met de auto kampeerspullen, koffers en dergelijke vervoerd worden. Voor het vervoer naar het attractiepark van bezoekers vervult de auto deze functie, zodat er geen noodzaak is om in de nabijheid gelegenheid tot parkeren te bieden. Het hof stelt dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Opnieuw een zaak over de vraag of het parkeren een bijkomende prestatie is. In 2006 heeft de Hoge Raad het oordeel van Hof Den Bosch in stand gelaten, inhoudende dat het parkeren bij de Efteling een zelfstandige prestatie is die belast is tegen het algemene btw-tarief. Hieruit wordt nogal eens afgeleid dat de Hoge Raad het met dit oordeel van het hof eens is. Toch kan dit niet uit het Efteling-arrest worden afgeleid. Het enige dat uit het Efteling-arrest af te leiden is, is dat de Hoge Raad van oordeel is dat het hof de feiten aan de juiste toets, de ‘CPP-toets’, heeft onderworpen. Niettemin werd na het Efteling-arrest in de praktijk ervan uitgegaan dat parkeren bij een attractiepark, dierentuin, musea etc. belast is tegen het algemene btw-tarief. Het Servicecertificaat-arrest van de Hoge Raad heeft de vraag opgeworpen of dit uitgangspunt juist is. De lagere rechtspraak is hierover verdeeld. In de zaak Nationaal Park De Hoge Veluwe is door Rechtbank Gelderland beslist dat het parkeren deelt in het 6%-tarief, maar in hoger beroep heeft Hof Arnhem-Leeuwarden anders beslist. Deze zaak ligt nu bij de Hoge Raad. In de zaak De Efteling heeft Rechtbank Zeeland-West-Brabant beslist dat het parkeren belast is met 21% btw. Hof Den Haag heeft, in afwijking van Rechtbank Den Haag, geoordeeld dat het parkeren bij Diergaarde Blijdorp belast is met 21% btw. In deze zaak heeft Hof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van Rechtbank Gelderland in stand gehouden en beslist dat het parkeren bij Slagharen geen bijkomende dienst is en dus belast is met 21% btw. Het is de verwachting dat zowel in deze zaak als in de zaak Diergaarde Blijdorp cassatieberoep wordt ingesteld, omdat de Hoge Raad in de zaak Nationaal Park De Hoge Veluwe nog arrest moet wijzen. Gezien de verdeeldheid in de lagere rechtspraak is het tijd dat de Hoge Raad ingrijpt en zorgt voor rechtseenheid. Gelet op het voorgaande verdient het aanbeveling om in voorkomende gevallen tijdig bezwaar te maken tegen de voldoening van 21% ter zake van de parkeeropbrengsten en te verzoeken om aanhouding van dit bezwaar totdat de Hoge raad in de zaak Nationaal Park De Hoge Veluwe een beslissing heeft genomen. Desgewenst zijn de btw-specialisten van Van Driel Fruijtier graag bereid te beoordelen of het voor u of uw cliënt zinvol is om bezwaar te maken en, zo ja, om dit bezwaarschrift op te stellen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op