28 april 2014Overeenkomst kosten voor gemene rekening niet mogelijk bij onvoldoende bewijs verdeling risico volgens verdeelsleutel

Een stichting verzorgt de administratie voor diverse scholen. Tot 2009 kon zij gebruikmaken van de koepelvrijstelling (zie 8.2.12). Vanaf 2009 is dit echter niet langer mogelijk en is de stichting de kosten van (administratief) personeel volgens een vaste verdeelsleutel gaan doorberekenen aan de deelnemende scholen. De deelnemende scholen kunnen kiezen uit verschillende pakketten van door de stichting te verrichten werkzaamheden met een daarbij horende kostenbijdrage. ?

Naar het oordeel van Rechtbank Haarlem en Hof Amsterdam kan de stichting geen beroep doen op het leerstuk van kosten voor gemene rekening. Het feit dat scholen kunnen kiezen uit verschillende pakketten, wijst er volgens het hof op dat sprake is van dienstverlening tegen vergoeding. Hieraan doet niet af dat de kostprijs zonder winstopslag aan de scholen wordt berekend. Het hof acht het hierbij van belang dat de kosten (van personeel, huisvesting etc.) niet van meet af aan rechtstreeks voor gemeenschappelijke rekening zijn gemaakt en dat de betrokkenheid van de aan de kosten ten grondslag liggende werkzaamheden uit meer moet bestaan dan het afnemen van een gekozen pakket. Daarnaast acht het hof van belang dat de risico van de verdeling van de kosten slechts is opgenomen in een niet-ondertekende conceptovereenkomst (die ter goedkeuring aan de Belastingdienst was voorgelegd). 

In cassatie heeft A-G Van Hilten de Hoge Raad geadviseerd het door de stichting ingestelde cassatieberoep ongegrond te verklaren. De Hoge Raad neemt de conclusie van de A-G over. De Hoge Raad oordeelt dat indien een ondernemer betalingen verricht aan een andere ondernemer, er als regel vanuit moet worden gegaan dat deze betalingen de tegenwaarde vormen voor een prestatie. Indien de ondernemer zich op een uitzondering op deze regel beroept, zoals het leerstuk van kosten voor gemene rekening, ligt het op zijn weg de daarvoor benodigde feiten te stellen en deze, bij betwisting, aannemelijk te maken. Het oordeel van het hof dat de stichting in casu niet aannemelijk heeft kunnen maken dat het risico van de kosten alle partijen volgens een vaste verdeelsleutel aangaat, berust op een waardering van feitelijke aard die in cassatie niet door de Hoge Raad getoetst kan worden. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de stichting daarom ongegrond. 

 In haar oordeel verwijst de Hoge Raad expliciet naar HR 23 april 1997, nr. 32166, waarin de vijf voorwaarden voor de overeenkomst van kosten voor gemene rekening worden genoemd. De Hoge Raad laat daarbij de voorwaarde van materieel werkgeverschap, zoals door de rechtbank in deze procedure is geoordeeld, en de voorwaarde dat de kosten van meet af aan voor gemeenschappelijke rekening moeten zijn gemaakt, zoals door het hof in deze procedure is geoordeeld, beide buiten beschouwing.

Zie 4.2 voor deze uitspraak en meer informatie over het leerstuk van kosten voor gemene rekening.

 

 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op