26 september 2016Orthopedische aanpassingen confectieschoen belast met 6% btw

Het aanpassen van confectieschoeisel leidt naar het oordeel van de Hoge Raad tot een vervaardiging en oplevering van nieuwe goederen, namelijk orthopedisch schoeisel. Deze diensten zijn belast met 6% btw.

Een B.V. exploiteert een onderneming op het gebied van de orthopedische schoentechniek. Zij levert (semi-)orthopedisch schoeisel en past op medisch voorschrift confectieschoeisel aan van cliënten met bepaalde aandoeningen. De B.V. past het verlaagde btw-tarief van 6% toe op het aanpassen van het confectieschoeisel. De inspecteur meent dat deze werkzaamheden belast zijn tegen het algemene btw-tarief en heeft daarom een naheffingsaanslag opgelegd.

In deze zaak is in eerste aanleg door Rechtbank Zeeland-West-Brabant geoordeeld dat het aanpassen van het confectieschoeisel belast is met 21% btw. In hoger beroep bevestigt Hof Den Bosch dat de aanpassingswerkzaamheden aan de confectieschoenen geen herstelwerkzaamheden zijn. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het aangepaste schoeisel kwalificeert als orthopedisch schoeisel. Naar het oordeel van het hof zijn de aanpassingswerkzaamheden zo ingrijpend dat sprake is van vervaardigen. Dat de functie door de aanpassingen van het schoeisel niet wijzigt, doet hieraan af. Volgens de Hoge Raad kan -aldus het hof- immers bij ingrijpende verbouwingen ook sprake zijn van vervaardigen zonder een functiewijziging (in wezen nieuwbouw). Dit betekent dat post b.16 van Tabel I (oplevering van orthopedisch schoeisel) toepassing is en dat de B.V. terecht het 6%-tarief toegepast heeft. Het hof heeft de naheffingsaanslag daarom vernietigd.

De staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het hof cassatieberoep aangetekend. A-G Ettema heeft de Hoge Raad geadviseerd het beroep gegrond te verklaren. Naar de mening van de A-G heeft het hof bij de beantwoording van de vraag of in casu sprake is van vervaardiging namelijk ten onrechte het ‘in wezen nieuwbouw’-criterium toegepast, aangezien dit criterium slechts geldt voor onroerende goederen. Voor roerende goederen geldt volgens de A-G de invulling uit het Van Dijk’s Boekhuis-arrest, waaruit de A-G opmaakt dat slechts sprake is van een nieuw roerend goed als dit goed een andere functie heeft dan de materialen waaruit het is voortgebracht. Voor het vervaardigen van een roerend goed is volgens de A-G dan ook (wel) een functiewijzing nodig.

De Hoge Raad heeft het advies van de A-G echter niet gevolgd en recent geoordeeld dat het oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het Kinderdagopvang-arrest uit 2010 houdt naar het oordeel van de Hoge Raad niet in dat met betrekking tot het begrip ‘vervaardigen’ voor onroerende zaken een andere maatstaf geldt dan voor roerende zaken. Het hof heeft dus niet ten onrechte het ‘in wezen nieuwbouw’-criterium toegepast. De overige oordelen van het hof zijn verweven met waarderingen van feitelijke aard en kunnen in cassatie dus niet op juistheid worden getoetst, maar zij zijn naar het oordeel van de Hoge Raad in elk geval niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het beroep in cassatie is daarom ongegrond.

Dat het hof concludeert dat sprake is van orthopedisch schoeisel achten wij juist. Niettemin hebben wij onze vraagtekens bij de ruime uitleg van het begrip vervaardigen door het hof, die door de Hoge Raad niet wordt beoordeeld als een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan het hof oordeelt, blijkt uit het Van Dijk’s Boekhuis-arrest van het HvJ dat een functiewijziging (wel) nodig is voor vervaardiging. Bovendien blijkt uit het Kinderdagopvang-arrest uit 2010 naar onze mening niet dat de Hoge Raad van oordeel is dat vervaardiging zonder functiewijziging mogelijk is. Het enige dat ons inziens uit dit arrest met zekerheid afgeleid kan worden is dat voor een vervaardiging ook ingrijpende uiterlijke wijzigingen vereist zijn. Zie