11 oktober 2016Opleidings- en registratiediensten KNMG btw-vrijgestelde sociale activiteiten

In maart 2016 heeft Rechtbank Gelderland geoordeeld dat de opleidings- en registratiediensten van KNMG aan haar (getrapte) leden onder de koepelvrijstelling vallen en de diensten met betrekking tot de ledenadministratie belast zijn met btw. In een recente procedure is de vraag opgeworpen of op de door KNMG verrichte opleidings- en registratiediensten de sociaal-culturele vrijstelling van toepassing is. Rechtbank Gelderland is van oordeel dat dit het geval is.

KNMG is in 1849 opgericht voor alle artsen en studenten geneeskunde in Nederland. Op grond van haar statuten kent KNMG als leden beroepsverenigingen van artsen en individuele leden. Om bepaalde medische handelingen te mogen verrichten moeten BIG-geregistreerde artsen zich ook in een specialistenregister of profielregister laten registreren. Deze registers worden bijgehouden door KNMG. Alvorens een medische vervolgopleiding kan worden gevolgd, moet de basisarts zich inschrijven in het opleidingsregister van KNMG. Als KNMG een eindverklaring (verklaring in verband met succesvol beëindigen van de opleiding) van een arts ontvangt, beëindigt zij de inschrijving in het opleidingsregister, waarna de arts van KNMG het bericht ontvangt dat het verzoek om registratie in een specialistenregister of profielregister kan worden ingediend. KNMG brengt voor de aanvragen vaste bedragen in rekening. Na registratie in een register betalen de specialisten en profielartsen periodiek bedragen aan KNMG voor (her)registratie in het specialisten- of profielregister.

KNMG stelt via het College Geneeskundige Specialismen (CGS) eisen aan de kwaliteit van de opleidingen tot profielarts of specialist, alsmede aan de opleiders en specialisten zelf. KNMG houdt via de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) toezicht op de kwaliteit van opleiders en specialisten. De RGS beoordeelt de (her)registraties, opleidingen en erkenningen aan de hand van regelgeving van het CGS. Om erkend te worden als opleider voor een bepaald specialisme of profiel betalen de opleiders (opleidingsinstituten, stage-inrichtingen en opleidingsartsen) erkenningsgelden. KNMG verzorgt zelf geen opleidingen. Wel organiseert zij incidenteel cursussen en symposia. KNMG is een koepelorganisatie van zeven federatiepartners. KNMG kwalificeert als ondernemer voor de btw en beoogt geen winst.

In juli 2012 heeft KNMG de inspecteur van de Belastingdienst goedkeuring verzocht om de sociaal-culturele vrijstelling toe te passen. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen, omdat KNMG volgens hem niet aan de voorwaarden voldoet. Tussen partijen is niet in geschil dat KNMG niet onder de reikwijdte van Bijlage B van het Uitv.Besl. OB valt, waarin de aangewezen vrijgestelde sociale en culturele activiteiten zijn opgesomd. De inspecteur meent dat onder het begrip ‘sociale zekerheid’ die activiteiten vallen die ertoe bijdragen dat mensen zo lang mogelijk zelfstandig in de maatschappij kunnen (blijven) functioneren.

Recent heeft Rechtbank Gelderland in deze zaak geoordeeld dat de inspecteur een te beperkte uitleg van het begrip sociale zekerheid heeft gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank hangen kwaliteitsbewaking en opleiding van artsen nauw samen met de sociale zekerheid en zijn zij daarvoor onontbeerlijk. Door middel van het stellen van voorwaarden aan registratie, opleiding en erkenning wordt de kwaliteit bewaakt die nodig is om een goed functionerend systeem van ziektebestrijding te waarborgen. De diensten van KNMG vormen een middel om de gezondheidszorg onder optimale omstandigheden te laten verlopen, zodat sprake is van nauwe samenhang.

Aangezien de inspecteur een beoordelingsvrijheid heeft, kan hiermee echter niet zonder meer gezegd worden dat aan KNMG ten onrechte de vrijstelling is geweigerd. De inspecteur heeft geweigerd om bij de rechtbank beschikkingen van andere lichamen en organisaties over te leggen, zodat de rechtbank niet in staat is om te toetsen aan het beginsel van fiscale neutraliteit. De inspecteur heeft bovendien aangegeven dat hem slechts één vergelijkbare belanghebbende bekend is, die een afwijzende beschikking heeft ontvangen. Volgens de rechtbank heeft hij hiermee geen blijk van gegeven dat hij getoetst heeft aan de fiscale neutraliteit, omdat hij ook in dat geval geen verband heeft gelegd tussen de opleidings- en registratiediensten en het effect daarvan op de kwaliteit van de gezondheidszorg. Het oordeel van de rechtbank luidt daarom dat ter uitsluiting van de mogelijkheid dat er strijd met het fiscale neutraliteitsbeginsel optreedt, vanuit moet worden gegaan dat KNMG moet worden beschouwd als een instelling van sociale aard. De rechtbank zal het verzoek van KNMG om erkenning als zodanig dan ook toewijzen.

 Dat de uitleg van het begrip ‘sociale zekerheid’ door de inspecteur in deze zaak (en in het beleid van de Belastingdienst) te beperkt is, achten wij een juist oordeel. Toch vragen wij ons af of het oordeel van de rechtbank in hoger beroep standhoudt. De rechtbank baseert zijn toewijzen van de ’11-1-f-beschikking’ uiteindelijk op het feit dat de inspecteur weigert om beschikkingen van andere lichamen en organisaties over te leggen. Het is de vraag of deze weigering kan leiden tot een erkenning van KNMG als instelling van sociale aard.Wij zijn van mening dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Onzes inziens dient een inhoudelijke afweging bepalend te zijn voor de vraag of sprake is van een 11-1-f-instelling en niet de vraag of de inspecteur al dan niet beschikkingen in vergelijkbare gevallen heeft overgelegd. Zie