23 juni 2016Ook na herzieningsperiode fictieve levering goederen wegens bedrijfsbeëindiging

Op grond van art. 18, lid c btw-richtlijn (in Nederland geïmplementeerd in art. 3, lid 3, onderdeel c Wet OB) is het onder zich houden van goederen na de beëindiging van de btw-onderneming gelijkgesteld is met een levering tegen vergoeding. In een procedure voor het HvJ EU staat dit artikel centraal.

De Poolse btw-ondernemer Jan Mateusiak heeft in de jaren 1997 tot en met 1999 een pand gebouwd voor zakelijk en privégebruik. Vanaf de ingebruikneming heeft Mateusiak het pand voor privédoeleinden en voor zijn werkzaamheden als notaris gebruikt. Mateusiak heeft destijds slechts de btw op de bouw van het zakelijk gebruikte deel als voorbelasting in aftrek gebracht. Mateusiak vraagt zich nu af of, als hij zijn werkzaamheden als notaris beëindigt, het zakelijk gebruikte deel aan de btw-heffing onderworpen is. Zelf is hij van mening dat btw-heffing na het verstrijken van de herzieningsperiode niet meer rechtmatig is. De Poolse fiscus is echter een andere mening toegedaan. De hoogste Poolse bestuursrechter heeft in deze zaak de vraag gesteld of art. 18, lid c btw-richtlijn ook van toepassing is op investeringsgoederen waarvoor de herzieningsperiode is verstreken.

In deze zaak heeft A-G Kokott het HvJ geadviseerd de vraag van de Poolse rechter bevestigend te beantwoorden. In zijn oordeel volgt het HvJ de conclusie van de A-G. Het HvJ wijst op de doelstelling van art. 18, lid c btw-richtlijn, namelijk voorkomen dat goederen waarvoor recht op aftrek is ontstaan, na de beëindiging van de belastbare economische activiteit door een eindgebruiker onbelast worden gebruikt en alle ongelijkheid op btw-gebied weg te nemen tussen consumenten die hun goederen betrekken van een andere belastingplichtige en degenen die deze goederen in het kader van hun bedrijf verkrijgen. Ter verwezenlijking van deze doelstelling moet btw worden geheven, aldus het HvJ, voor zover een goed waarvoor recht op aftrek is ontstaan, op de datum van de beëindiging van de belastbare economische activiteit nog een restwaarde heeft, ongeacht de periode die is verstreken tussen de datum van verwerving van het goed en de datum van de bedrijfsbeëindiging. Hoewel de regelingen inzake de herziening van de aftrek (waartoe art. 187 btw-richtlijn behoort) eenzelfde doelstelling hebben als art. 18, lid c btw-richtlijn, leidt dit er volgens het HvJ niet toe dat btw-heffing op grond van art. 18, lid c btw-richtlijn niet meer mogelijk is als de herzieningsperiode verstreken is. In deze bepaling wordt namelijk geen voorwaarde over de termijn na de verwerving gesteld, noch verwezen naar de bepalingen inzake de herziening.

Het oordeel van het HvJ achten wij juist. Niettemin is het de vraag of de Poolse fiscus met dit oordeel veel is opgeschoten. De fictieve levering van het oude kantoorgedeelte is immers vrijgesteld van btw-heffing en de (Poolse) herzieningstermijn van het kantoorgedeelte is ten tijde van de bedrijfsbeëindiging reeds verstreken. Van enige verschuldigdheid van (herzienings-)btw ter zake van het kantoorgedeelte wegens de bedrijfsbeëindiging kan daarom geen sprake zijn. Zowel de Poolse fiscus als de verwijzende rechter lijken dit over het hoofd te hebben gezien. Voor de Nederlandse praktijk levert dit arrest van het HvJ geen nieuwe inzichten op. Zie 10.6.4 voor meer informatie over het onder zich houden van goederen na bedrijfsbeëindiging.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op