18 april 2017Onjuiste bewijslastverdeling bij kwalificatie terbeschikkingstelling kamers prostituee

Over de vraag hoe de terbeschikkingstelling van kamers aan prostituees moet worden gekwalificeerd zijn reeds verschillende procedures gevoerd. Uitgangspunt is dat als de terbeschikkingstelling van de kamers en de beheerwerkzaamheden (bewaking, toezicht etc) door dezelfde btw-ondernemer worden aangeboden sprake is van ‘verhuur plus’ (belast met 21% btw). In de praktijk komt het ook voor dat de eigenaar van de panden alleen de kamers verhuurt en de beheerwerkzaamheden door een derde worden verricht. De Hoge Raad heeft voor die situatie geoordeeld dat indien de vergunning voor de exploitatie van een seksinrichting mede omvat het verrichten van beheerwerkzaamheden deze werkzaamheden – behoudens tegenbewijs door de vergunninghouder (de verhuurder van de kamers) – behoren tot de werkzaamheden van de vergunninghouder jegens de prostituee. De beheerwerkzaamheden behoren slechts dan niet tot de door de vergunninghouder verrichte prestatie indien de beheerder deze werkzaamheden uitsluitend op grond van een met de prostituee gesloten overeenkomst op eigen naam en voor eigen risico verricht. In een zaak waarin dit punt in geschil was heeft de Hoge Raad geoordeeld dat Hof Amsterdam de bewijslast tussen de verhuurder en de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de inspecteur) onjuist heeft verdeeld.

Hof Amsterdam heeft in deze zaak op grond van het arrest van de Hoge Raad van 1 maart 2002, nr. 36.020 als uitgangspunt genomen dat bij betalingen tussen btw-ondernemers in de regel ervan mag worden uitgegaan dat die betalingen de vergoeding vormen voor een prestatie. Uit het arrest van 2 december 2011, nr. 43.813 van de Hoge Raad heeft het hof afgeleid dat behoudens tegenbewijs degene aan wie door een btw-ondernemer een factuur is uitgereikt waarop hij wordt genoemd als degene aan wie de prestatie is verricht en waarop hij verplicht wordt te betalen de afnemer is. Het hof heeft vervolgens overwogen dat de vraag rijst welk bewijsregel moet prevaleren en heeft deze vraag beantwoord door het eerstgenoemde arrest voorrang te geven. Het hof heeft geoordeeld dat de verhuurder van de kamers, behoudens tegenbewijs, moet worden geacht de afnemer te zijn van de beheerwerkzaamheden en dat de verhuurder niet geslaagd is om dit tegenbewijs te leveren.

De Hoge Raad acht deze bewijslastverdeling onjuist. Naar zijn oordeel is een keuze tussen deze bewijsregels niet aan de orde. Voor de beoordeling van de vraag of de beheerwerkzaamheden aan de prestatie van de verhuurder van de kamers moet worden toegerekend (lees: of de beheerder de beheerwerkzaamheden aan de verhuurder van de kamers verricht) of dat de beheerder deze beheerwerkzaamheden (direct) aan de prostituee verleend geldt de vrije bewijsleer. Het hof heeft miskend dat de bewijsregel van het arrest uit 2002 geen betrekking heeft op de vraag wie de afnemer is, maar op de vraag of de betaling de vergoeding voor een prestatie vormt. Door deze bewijsregel niettemin beslissend te achten heeft het hof een onjuiste bewijslastverdeling gehanteerd. Het hof had moeten beoordelen of de inspecteur met de feiten en de omstandigheden die hij heeft aangevoerd het in het arrest van 2011 bedoelde tegenbewijs heeft geleverd en, zo nee, of de verhuurder van de kamers daarmee heeft voldaan aan de op hem rustende last om het vermoeden te weerleggen dat zij ook de beheerwerkzaamheden verricht. De Hoge Raad verwijst de zaak voor verdere behandeling naar Hof ’s Hertogenbosch.

 Het is voor de verhuurder van de kamers in deze zaak de tweede keer dat hij met succes een beslissing van het hof aanvecht. In de eerste ronde was Hof Den Haag er ten onrechte vanuit gegaan dat – ook bij inschakeling van een derde voor de beheerwerkzaamheden – steeds sprake is van verhuur plus (belast met 21% btw). In dit arrest maakt de Hoge Raad duidelijk dat Hof Amsterdam de bewijslast onjuist heeft verdeeld. De bewijsregel uit het arrest van 2002 acht de Hoge Raad naar onze mening terecht niet van toepassing. Deze bewijsregel ziet op de situatie waarin betwist wordt dat sprake is van een prestatie tegen vergoeding. En in deze situatie is niet in geschil dat de beheerwerkzaamheden tegen vergoeding zijn verricht, maar is in geschil aan wie deze beheerwerkzaamheden zijn verricht. Van een botsing van de twee bewijsregels is daarom geen sprake. Toch betekent dit arrest niet dat de verhuurder van de kamers nu opgelucht kan ademhalen. De verhuurder van de kamers moet immers het bewijsvermoeden weerleggen dat hij niet alleen de kamers verhuurt, maar ook de beheerwerkzaamheden verricht aan de prostituee. Hiervoor is nodig dat de verhuurder van de kamers aannemelijk maakt dat de beheerder de beheerwerkzaamheden voor eigen rekening en risico (direct) aan de prostituee verricht. Hierbij kan mede belang gehecht worden aan het feit dat de beheerder een factuur uitreikt aan de prostituee voor de beheerwerkzaamheden waarop de prostituee wordt genoemd als de afnemer van deze prestatie en waarop zij verplicht wordt om de vergoeding voor de beheerwerkzaamheden te betalen. De Hoge Raad laat zich niet uit over de vraag of deze feiten – op grond waarvan de prostituee vermoed wordt de afnemer te zijn van de beheerwerkzaamheden – voldoende zijn om de terbeschikkingstelling van de kamers als btw-vrijgestelde verhuur aan te merken. Dat is een feitelijke vraag waarover Hof ’s Hertogenbosch zich moet buigen. Voor meer informatie over de verhuur van onroerend goed zie 7.8.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op